In de voorbije acht jaar, tussen 2000 en 2007, zijn de Belgische lonen 4procent meer gestegen dan de inflatie. De prijsstijgingen hebben dus geen verarming van de werkende bevolking veroorzaakt.

sociaal

van onze redacteur



Met die stelling gaat de ondernemersorganisatie Unizo bewust in tegen de roep naar een extra koopkrachtverhoging. 'Veel van onze leden-bedrijven zijn afhankelijk van de binnenlandse consumptie. Wij zijn dus ook vragende partij voor een voldoend hoge koopkracht', aldus gedelegeerd bestuurder Karel Van Eetvelt van Unizo.

'Maar het debat moet gevoerd worden op basis van feiten en cijfers. Niet op basis van een buikgevoel. Helaas blijkt het discours van veel politici, vakbondsleiders en media louter te steunen op de perceptie van een ontoereikende koopkracht. En op de perceptie dat de klassieke index niet volstaat om de inflatie op te vangen, waardoor arbeiders her en der gaan staken om loonsverhogingen te verkrijgen.'

Unizo heeft de cijfers opgezocht bij de Indexcommissie op de federale overheidsdienst Economie, bij het Planbureau en bij de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven. Ze slaan op de voorbije acht jaar, van 2000 tot en met 2007.

Over die acht jaar beliep de inflatie gemiddeld 2,09 procent per jaar. Maar dat gemiddelde verbergt een aantal flinke schommelingen op jaarbasis. Het hoogste inflatiecijfer was er in het jaar 2005, een economisch sterk jaar, met een verhoging van de consumptieprijzen met 2,78 procent. Amper twee jaar voordien, in 2003, bedroeg de inflatie amper 1,59 procent (zie grafiek). Johan Bortier, het hoofd van de Unizo-studiedienst, wijst erop dat de inflatiecijfers voor de twee recentste jaren, 2006 en 2007, 'duidelijk lager zijn dan het gemiddelde over de gehele periode'.

Bortier erkent dat de voedingswaren wel aan een prijsstijging bezig zijn, met een inflatiecijfer van 3,62 procent voor het jaar 2007. 'Dat is een pak meer dan in de voorgaande jaren, maar ook hier gaat het niet om een recordstijging. In 2001 werden voedings- en drankproducten 4,22 procent duurder.'

De voedingsprijzen zijn van groot belang in het debat over de koopkracht. Voeding vertegenwoordigt 19procent van alle prijzen uit de indexkorf. Vervoer en huisvesting/energie zijn de twee andere belangrijkste onderdelen in de indexkorf, met elk 16procent. Het inflatiecijfer voor energie bleef vorig jaar relatief laag, met 1,4 procent, veel lager dan in de jaren 2005-2006 (zie grafiek).

Het verschil tussen de 'echte inflatie' en de gezondheidsindex -zonder tabak en motorbrandstoffen- varieert sterk van jaar tot jaar. Soms ligt die gezondheidsindex, die de basis is voor de berekening van de loonindexering, meer dan 0,6 procentpunt lager dan de inflatie (zoals in 2005). Soms ligt de gezondheidsindex evenwel hoger (zoals in 2001-2002). In de voorbije jaren 2006-2007 was er nauwelijks een verschil met de 'gewone' inflatie.

De automatische loonindexering en de onderhandelde loonsverhogingen (bij cao) houden in ieder geval de koopkracht op peil, zegt Bortier. Alleen in 2000 en 2005 gingen de lonen minder snel omhoog dan de inflatie (zie grafiek), maar voor alle andere jaren geldt het omgekeerde. 'In totaal goed voor een bijkomende koopkracht van 4,05 procent bovenop de inflatie sinds 2000.'