Waarom dan nu wel?
Foto: © Jimmy Kets
Pol Van Den Driessche. Jos Ghysen. We wisten ervan, maar schreven er niet over tot voor twee weken. Waarom? Tom Naegels legt uit.

'Eerst een schuldbekentenis: de mijne', zo begint journaliste Hilde Sabbe haar interview met Ireen Houben in Het Laatste Nieuws van 26 april. 'Elf jaar geleden al (...) vertrouwde radiopresentatrice Ireen Houben (66) me toe dat ze negentien jaar door Jos Ghysen fysiek was mishandeld. Ik heb er toen niets mee gedaan.'

Sabbe is niet de enige die de aantijgingen tegen Jos Ghysen al gehoord had. Ook aan De Standaard vertelde Houben eerder haar verhaal. 'Zo'n twee jaar geleden, toen het kindermisbruik binnen de Kerk prominent in het nieuws was, heeft ze mij geloof ik drie keer opgebeld', vertelt Jan Desloover, nu chef van de fotoredactie, toen redacteur binnenland. 'Er is intern over gediscussieerd, maar vrij snel hebben we beslist om er niets mee te doen. Allereerst omdat ze dat zelf vroeg. Maar we zouden ons ook in journalistiek drijfzand begeven hebben. Het ging om een relatie, in welke betekenis ook, tussen twee mensen - het is lastig om daar een klare kijk op te krijgen. Bovendien was het lang geleden. En er waren geen materiële bewijzen. Ik ben er nog altijd niet uit of het goed is dat het nu wel in de krant heeft gestaan.'

De twijfel is typerend. Anders dan een aantal juristen en politici lieten uitschijnen, hebben we de afgelopen twee weken geen gretige 'rioolpers' in actie gezien, maar een aarzelende pers, die nooit vermoed had dat 'seksueel grensoverschrijdend gedrag op het werk' zo'n gevoelige snaar zou raken. De eerste reacties in de kranten op de onthullingen van Humo waren of afwijzend, of 'objectiverend' - waarmee ik bedoel dat ze gingen over wat er, in traditionele zin, 'relevant' aan was: de klacht die Van Den Driessche wilde indienen tegen Humo, de reactie van de N-VA, en de vraag of er hier een journalistieke grens overschreden was.

'De kentering is er gekomen na de overtuigende getuigenis van Tine Hens en Marie-Anne Wilssens in Reyers laat', zegt hoofdredacteur Karel Verhoeven. 'Toen voelde je dat het over een maatschappelijke kwestie begon te gaan, die uitsteeg boven het geval-Van Den Driessche.' Wat niet wegneemt dat Verhoeven er al twee weken mee worstelt. 'Ik heb het moeilijk met de willekeur. Iemand wil een getuigenis afleggen in de pers over het wangedrag van iemand anders. Maar wat is de journalistieke aanleiding om nu die specifieke getuigenis over lang geleden te publiceren? Dat blijf ik me afvragen. Als je een aanklacht formuleert en iemands reputatie aanpakt, hoor je te beginnen bij een overtuigend, recent feit. Dat legitimeert je journalistiek. In het tweede stuk heeft Humo dat euvel wel opgelost. Maar ook bij Ghysen zit me dat dwars.'

'Toen Ireen Houben haar reactie had geschreven onder het opiniestuk van Kris Smet (DS 24 april), heb ik haar gebeld', vertelt Eline Bergmans, die Houben interviewde voor 'Hij had me in zijn macht' (DS 26 april). 'Ze uitte zware beschuldigingen, die moeilijk te controleren waren, en we beseften dat het haar woord tegen het zijne zou worden. We hebben afgesproken dat we niet meteen zouden publiceren. Ik zou de volgende dag naar haar toe gaan voor een persoonlijk gesprek, en dan zouden we zien.'

Ook nu zorgde Reyers laat voor de kentering. 'De getuigenis van Kris Smet maakte dat het sowieso nieuws werd', zegt Bergmans. 'Ondertussen had ik een aantal mails gekregen van mensen die de twee destijds gekend hadden. We hebben Ghysen om een reactie gevraagd. Formeel was alles in orde, maar het blijft een verdomd lastige kwestie.'

Voorzichtigheid vs. medeplichtigheid

Ik hoop dat het bovenstaande een antwoord biedt op een van de vele vragen die de rollercoaster van de afgelopen weken opriep: als deze verhalen al bekend waren, waarom stonden ze dan niet eerder in de krant? Of, omgekeerd, als er destijds goede argumenten waren om er niet over te schrijven, waarom golden die dan nu niet meer? Welnu: het maakt verschil of je zelf kan beslissen of je een kwestie openbaar maakt. In dat geval zijn redacties vaak terughoudend. Hebben we voldoende bewijzen? Kunnen we inschatten waartoe dit zal leiden? Gaan we tijd en energie steken in het uitspitten van dit verhaal, wetende dat het erg gênant kan worden en mogelijk niets oplevert? De voorzichtige optie is doorgaans om een verhaal niet te brengen.

De afgelopen weken hebben onrechtstreeks ook dat voorzorgsprincipe ter discussie gesteld. Precies omdat het jarenlange zwijgen het voorwerp van debat werd. Voorzichtigheid kan dan worden gezien als medeplichtigheid. Het is het spiegelverwijt van 'de media die zelf voor rechter willen spelen'.

Een andere vraag is of het thema niet te ruim werd geïnterpreteerd. Wat Ireen Houben is overkomen, waren dat ongewenste intimiteiten, seksuele intimidatie of machtsmisbruik op het werk? Of was het een destructieve relatie, waarbij een partner de ander psychologisch vernietigt, en die partners toevallig ook samenwerkten?

Een laatste is de willekeur, waar Verhoeven het over had: als dit veel voorkomt, en als dat de reden is waarom het het nieuws haalde - is het dan fair dat die twee mannen als voorbeeld hebben gediend?

Het zijn belangrijke vragen, die men moet blijven stellen. Maar het mag ironisch lijken: als ombudsman twijfel ik minder dan de redactie zelf. Ik denk niet dat er hier grote journalistieke fouten zijn gemaakt. Willekeur is een probleem, maar dat is het ook in veel andere gevallen. (Waarom de kasteelmoord? Waarom Scott Manyo?) Zelf vond ik het goed dat dit onderwerp het nieuws haalde. Het was atypisch, maar wellicht 'maatschappelijk relevanter' dan veel traditionele nieuwsverhalen.

De ombudsman houdt de redactie van De Standaard wekelijks een spiegel voor. Opmerkingen over journalistiek in De Standaard kan u melden via ombudsman@standaard.be en via www.standaard.be/ombudsman, waar u ook links vindt naar zijn Facebook- en Twitterpagina (@OmbudsDS )