De derde pensioenpijler is allicht de bekendste. Eén Belg op zes doet aan (individueel) pensioensparen. Als je geen rekening houdt met kinderen en 65-plussers wordt dat één op drie.

Je kunt als pensioenspaarder kiezen tussen twee formules. De eerste is een pensioenspaarrekening en komt neer op investeren in een speciaal beleggingsfonds dat aan meer beperkingen is onderworpen, de tweede - de pensioenspaarverzekering - is een speciale versie van een levensverzekering.

Zo'n verzekering biedt meestal hetzelfde rendement als een klassieke levensverzekering. Bij het gros van de maatschappijen is dat tegenwoordig 3,25 procent per jaar. Daarbovenop komt een winstdeelneming, afhankelijk van de resultaten van de verzekeraar. De premies zijn aftrekbaar van de belastingen tegen de bijzondere gemiddelde aanslagvoet (30 tot 40 procent, afhankelijk van het inkomen), verhoogd met de gemeentelijke opcentiemen en de crisisbelasting.

De fiscale aftrek geldt voor iedere belastingplichtige die ouder is dan achttien jaar. Bij een, al dan niet gehuwd, paar mogen dus beide partners voor 810 euro aan pensioensparen doen en aftrekken van hun belastingen.

Dezelfde aftrek geldt voor de pensioenspaarrekeningen. Maar hier is de opbrengst helemaal niet gegarandeerd. Ze is afhankelijk van het rendement dat het beleggingsfonds haalt. Over een voldoend lange periode - ten minste tien jaar, liefst meer - ligt dat rendement in principe hoger, maar zeker ben je nooit.

De eerste pensioenfondsen bestaan nu 21 jaar en ze haalden in die periode een gemiddeld jaarrendement van 7 tot 11 procent. Gemiddelde vervijfvoudigde dus de koers, zonder rekening te houden met kosten of fiscale voordelen. Zij incasseerden weliswaar de crash van 2000 tot 2002, maar konden van midden 1985 tot begin 2000 ook profiteren van de sterkste beurshausse ooit

Fiscaal worden beide formules niet helemaal hetzelfde behandeld. De stortingen in het kader van een pensioenspaarfonds worden door de fiscus gekapitaliseerd tegen 4,75 procent. Op dat fictieve kapitaal wordt een eenmalige belasting geheven van 10 procent. Voor stortingen van voor 1993 wordt gewerkt met een kapitalisatie tegen 6,25 procent en een eenmalige heffing van 16,5 procent. Bij de pensioenspaarverzekeringen heft de fiscus 10 procent op het verzekerde kapitaal. De winstdeelnemingen zijn volledig belastingvrij. Hier wordt dus het gegarandeerde rendement belast.

De eindheffing gebeurt op je zestigste verjaardag, tenzij je pas na je 55ste met pensioensparen bent begonnen en ten minste vijf stortingen hebt gedaan. In dat geval wordt het kapitaal belast op de tiende verjaardag van de eerste storting. Iemand die tijdig met pensioensparen is begonnen, heeft er alle belang bij om ook na zijn zestigste verjaardag nog premies te storten. Zij zijn dan tot en met het jaar waarin je 64 jaar wordt aftrekbaar van de belastingen, net als voorheen. Maar op de kapitaalaangroei na je zestigste wordt geen belasting meer geheven.

Let er ook op dat je de (premie)storting in het jaar dat je zestig wordt, pas doet na je verjaardag. Anders wordt die premie nog bij het te belasten kapitaal geteld. Vanaf de dag na je verjaardag ontsnapt de premie aan de fiscus.

Al die fiscale voordelen geniet je maar als je aan een paar voorwaarden voldoet. Om te beginnen moet het contract met de verzekeraar een looptijd hebben van ten minste tien jaar. Als je kiest voor een pensioenfonds moet je er voor ten minste tien jaar instappen. Vraag je je pensioenkapitaal toch vroeger op, dan verlies je de fiscale aftrek van de premies niet, maar bij de uitkering word je meteen belast tegen 33 procent. Ben je bovendien nog niet ouder dan zestig, dan komen daar nog eens gemeentelijke opcentiemen bij. Ook als je minder dan vijf stortingen doet, word je belast tegen 33 procent, verhoogd met de opcentiemen.

Bij de eerste storting moet je tussen 18 en 64 jaar oud zijn. Je mag meerdere pensioenspaarfondsen aanhouden, maar er jaarlijks slechts één van inbrengen op je belastingformulier. De stortingen in dat fonds of in het kader van dat contract, mogen dit jaar niet meer bedragen dan 810 euro. Volgend jaar wordt dat door het spel van de indexeringen allicht 820 euro.

Een jaar dat je aan pensioensparen doet en daar de fiscale voordelen wilt van plukken, kun je geen aankoop inbrengen van aandelen of deelbewijzen van de onderneming waar je werkt. Er is natuurlijk niets of niemand die je verplicht om de volle 810 euro per kop te beleggen. Je kan er ook voor kiezen om een jaartje (heel) wat minder of zelfs helemaal niets te storten. Zolang je op het einde van de rit maar aan vijf stortingen komt die elk tien jaar belegd zijn gebleven, behoud je je recht op fiscale aftrek en geniet je van het fiscale voorkeurregime. Als je voor je zestigste overlijdt wordt het kapitaal belast alsof je die leeftijd wel had bereikt, waarna het bijeen gespaarde geld naar je erfgenamen gaat. Die moeten wel successierechten betalen. (lc)