ROTTERDAM -- Twaalf terreurverdachten zijn vandaag door een rechtbank in Rotterdam vrijgesproken van alle ernstige aanklachten die tegen hen waren ingediend. Slechts twee van hen werden tot korte gevangenisstraffen veroordeeld, wegens het bezit van valse documenten en fraude met belastingpapieren.
De twaalf werden na 11 september 2001 opgepakt tijdens een politieoffensief dat volgde op de terreuraanslagen. Zij werden in eerste instantie aangeklaagd wegens het steunen van de vijand in een tijd van oorlog of gewapend conflict. Van die aanklacht kon, bij gebrek aan antiterreurwetgeving, gebruik worden gemaakt door de Nederlandse bijdrage aan de oorlog in Afghanistan, meende het openbaar ministerie. De aanklacht was sinds de Tweede Wereldoorlog niet meer tegen iemand ingediend.

In de loop van het proces werd de aanklacht tegen tien van de verdachten bijgesteld naar lidmaatschap van een criminele organisatie. Uiteindelijk zijn alle twaalf verdachten vrijgesproken van aan terrorisme gerelateerde tenlasteleggingen. De rechtbank oordeelde dat Nederland niet in oorlog was en achtte het bewijs tegen de verdachten bovendien te zwak. Medewerkers van de inlichtingendienst weigerden tijdens het proces te getuigen.

De twaalf werden verdacht te behoren tot vijf terreurcellen die jonge moslims probeerden te werven voor de jihad. Twee Nederlandse moslims die in december 2001 een zelfmoordaanslag pleegden tegen Indiase agenten in Kasjmir zouden door de groep zijn gerekruteerd.