STOCKHOLM - Het conflict tussen India en Pakistan over Kasjmir is volgens het Stockholm International Peace Research Institute (SIPRI) ,,wereldwijd de grootste dreiging van een atoomoorlog sinds de Cuba-crisis van 1961''. Kernwapendeskundige Shannon Kile van het SIPRI vindt de huidige conflictsituatie uiterst alarmerend.

Kile wijst erop dat beide landen sinds de reeks kernproeven van 1998 de inzetbaarheid van hun nucleaire wapens systematisch verhoogd hebbben. Bovendien zijn noch Pakistan noch India aangesloten bij een van de verdragen over beperking of controle van het kernwapenarsenaal.

,,Maar het ergste is dat de twee staten elkaars atoomdoctrine achternalopen'', zegt Kile. Zo zien de leidende Pakistaanse militairen hun nucleaire capaciteit ,,als een bescherming voor de steun aan de grensoverschrijdende subversieve activiteiten in het Indiase deel van Kasjmir'', terwijl de Indiase militairen de eigen kernstrijdmacht net ,,een bescherming is bij de bestraffing van die activiteiten''.

Kile is ook van mening dat te vrezen valt dat Pakistan als eerste atoomwapens zal inzetten, wanneer dat land de conventionele overmacht van India niet meer kan weerstaan. Daarom ook heeft de Pakistaanse leiding zich steeds het recht toegeëigend om als eerste met kernwapens toe te slaan, iets waarvan India heeft afgezien.

Wat het aantal inzetbare kernkoppen betreft, oordeelt het SIPRI dat Pakistan een licht overwicht heeft, met 35 tot 48 koppen, tegenover de 25 á 30 aan Indische zijde. Wel is het waarschijnlijk dat beide landen, omwille van de grotere trefzekerheid en de terugroepbaarheid, beroep zullen doen op jachtvliegtuigen en niet op raketten.