DEN HAAG - Het Joegoslavië-Tribunaal heeft vandaag in de zaak tegen de vroegere Joegoslavische president Slobodan Milosevic voor het eerst een overlevende gehoord van een van de massa-executies in Racak in januari 1999.

De 45 etnisch Albanese doden in het Kosovaarse dorp waren mede aanleiding voor de Navo-bombardementen van maart tot juni 1999.

Volgens de in 1947 in Racak geboren Billal Avdiu heeft de Servische politie het twintigtal doden op haar geweten die in de heuvels vlakbij Racak werden aangetroffen.

De Servische politie haalde Avdiu op 15 januari 1999 met een groep mannen uit een huis in Racak. De identiteitspapieren van de mannen werden afgepakt. De Albanezen werden geslagen en met de dood bedreigd. Volgens de getuige waren ook Joegoslavische soldaten bij de actie betrokken.

De groep werd naar de heuvels gedreven waar de Servische politie het vuur opende. Avdiu deed alsof hij dood was en bleef vijf uur tussen de lijken liggen. Volgens hem waren de slachtoffers allen burgers, veelal jongeren of bejaarden. ,,Er was niets dat aanzien kon worden als uniform''. Hij en andere overlevenden ontkwamen dan in de loop van de nacht in de heuvels.

Eerder heeft Milosevic de actie in Racak verdedigd als legitiem in de strijd tegen het ,,Albanese terrorisme''.

Maar generaal Michel Maisonneuve, die enkele uren na de operatie in Racak was aangekomen, weerlegde deze versie. De Canadees zei dat de slachtoffers hem boeren leken die van dichtbij waren neergeschoten, en voegde eraan toe geen bewijzen te hebben dat zij lid waren van het Kosovaars Bevrijdingsfront.