BRUSSEL -- OCMW's die maatschappelijke dienstverlening weigeren voor minderjarige kinderen van ouders die illegaal in het land verblijven, handelen in strijd met het gelijkheidsbeginsel uit de grondwet als de ouders hun onderhoudsplicht niet nakomen en als het om uitgaven gaat die onontbeerlijk zijn voor de ontwikkeling van het kind.

Dat blijkt uit een arrest dat het Arbitragehof heeft geveld in antwoord op een prejudiciële vraag van de Brusselse arbeidsrechtbank. De OCMW's van Sint-Joost-ten-Node en Sint-Gillis hadden de aanvraag tot maatschappelijke dienstverlening (op uitzondering van dringende medische hulp) geweigerd van twee gezinnen met minderjarige kinderen die geen inkomen hebben omdat ze illegaal in het land verblijven.

De betrokkenen trokken daarop naar de arbeidsrechter in Brussel. De rechter stelde vast dat de maatschappelijke dienstverlening werd gevraagd uit naam en voor rekening van de minderjarige kinderen en dat het Arbitragehof zich nog niet had uitgesproken over de grondwettigheid van hulpverlening aan minderjarige buitenlanders die illegaal op het grondgebied verblijven.

De eisende partijen voerden aan dat het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind van toepassing is voor kinderen die onder de rechtsbevoegdheid van een Staat vallen, zelfs al verblijven ze er illegaal.

De Belgische staat daarentegen wees erop dat het Kinderrechtenverdrag geen verplichtingen oplegt aan de verdragspartijen. Ze betwistte bovendien de bewering dat minderjarige kinderen die illegaal op het grondgebied verblijven niet in staat zouden zijn dat grondgebied te verlaten.

De asielaanvraag van kinderen die samen met hun ouders op het grondgebied aankomen, is gebonden aan de aanvraag van hun ouders. Als die het bevel krijgen het grondgebied te verlaten, gaan de kinderen mee. Minderjarige vreemdelingen bevinden zich dan in hetzelfde geval als meerderjarige vreemdelingen, zo werd aangevoerd.

Het Arbitragehof ging ermee akkoord dat ouders die hier illegaal verblijven geen recht hebben op maatschappelijke dienstverlening door de staat van behoeftigheid van hun kinderen aan te voeren. Het zou niet redelijk zijn vreemdelingen die geen verblijfsvergunning hebben of geen gevolg hebben gegeven aan het bevel om het grondgebied te verlaten, verschillend te behandelen naargelang ze al dan niet door minderjarige kinderen zijn vergezeld, aldus het Hof.

Maar het voegt eraan toe dat de weigering van maatschappelijke dienstverlening niet verantwoord is als het ertoe zou leiden dat het kind moet leven in omstandigheden die schadelijk zijn voor zijn of haar gezondheid en ontwikkeling.

Daarom moet volgens het Arbitragehof hulp kunnen worden toegekend als aan drie voorwaarden is voldaan: als vaststaat dat de ouders hun onderhoudsplicht niet nakomen of dat niet kunnen, als de aanvraag betrekking heeft op onontbeerlijke uitgaven voor de ontwikkeling van het kind en als het OCMW heeft vastgesteld dat de dienstverlening enkel dient om die uitgaven te dekken. Concreet spreekt het Arbitragehof van dienstverlening in natura of een tenlasteneming van uitgaven ten behoeve van derden die de dienst verlenen.