DEN HAAG- De Kosovaarse president Ibrahim Rugova heeft vandaag over de Servische onderdrukking getuigd in het proces tegen Slobodan Milosevic. Hij beschuldigde de ex-president van Joegoslavië ervan de oorlog om Kosovo te zijn begonnen.
Rugova is de meest prominente getuige van de aanklagers tot nu toe in het proces tegen de voormalige Joegoslavische president, die voor het VN-tribunaal voor ex-Joegoslavië terecht staat wegens oorlogsmisdaden.

De Kosovaarse leider vertelde de rechters over de strijd tussen het Servische leger en de etnisch-Albanese rebellen in de Servische provincie in 1998-1999. Na de dood van de Joegoslavische vader des vaderlands Tito in de vroege jaren '80 waren Rugova en de zijnen begonnen voor onafhankelijkheid van Kosovo te ijveren. Milosevic begon zijn politieke carrière in dezelfde periode juist met de belofte de Servische bakermat Kosovo nooit op te geven.

,,Wij wilden gelijke rechten'', zei Rugova, die een paar meter van zijn oude tegenstander zat. Milosevic keek verveeld en gaapte af en toe.

Nadat hij in 1989 president van Servië was geworden, hief Milosevic de autonomie van Kosovo op, een stap die tot fel verzet leidde. ,,Dat was politiek geweld'', zei Rugova. Volgens hem betekende de opheffing van de autonomie dat duizenden etnische Albanezen uit overheidsbanen werd ontslagen en aan de bedelstaf werden gebracht. Onder leiding van Rugova werd een ondergronds onderwijssysteem in het Albanees en een netwerk van ziekenhuizen opgezet.

Milosevic is aangeklaagd wegens de moord op honderden mensen en de verdrijving van zo'n 800.000 Kosovaren in het voorjaar van 1999. Voorts is hij aangeklaagd wegens genocide en andere misdaden in de oorlogen in Bosnië en Kroatië.

Rugova, die ooit bij Milosevic om onafhankelijkheid smeekte, is sinds de NAVO-bombardementen in 1999 en de Servische terugtrekking uit Kosovo de leider van een bijna onafhankelijk Kosovo. Milosevic werd na de verloren verkiezingen in oktober 2000 verdreven en later door de nieuwe regering aan het tribunaal uitgeleverd.

De Navo kwam in actie toen het Servische optreden tegen gewapende Albanezen, die in 1997 in opstand waren gekomen tegen de overheersing, steeds meer op de strijd in Bosnië en Kroatië begon te lijken en voor een nieuw bloedbad werd gevreesd.

Tijdens het bombardement deed Rugova een laatste poging Milosevic over te halen Kosovo op te geven. Tijdens dat onderhoud voor de camera's in Belgrado riep Rugova de Navo op de bombardementen te staken. Vervolgend vertrok hij naar Italië. Over het mysterieuze bezoek aan Belgrado, waarvan iedereen aannam dat het onder dwang gebeurde, heeft Rugova nooit veel losgelaten. Mogelijk zal hij dat tijdens het proces wel doen.

Milosevic beweerde dat hij Rugova in bescherming nam tegen de opstandelingen, die op dat moment en na het vertrek van de Serviërs oppermachtig leken in Kosovo. Bij de recente algemene verkiezingen won de partij van Rugova echter de meerderheid en werd hij tot president benoemd.