DEN HAAG - Het Internationale Gerechtshof heeft vandaag de Verenigde Staten in het ongelijk gesteld in de geruchtmakende zaak LaGrand. Het hof bepaalde dat de internationale juridische rechten van de twee Duitse broers, die al zijn terechtgesteld wegens moord, zijn geschonden.
Duitsland diende in 1999 bij het hof in Den Haag een aanklacht in omdat de VS de Conventie van Wenen over consulaire betrekkingen zouden hebben geschonden. De VS hadden diplomatieke vertegenwoordigers van Duitsland in de VS niet op de hoogte gesteld van de arrestatie van het tweetal en hun veroordeling. De VS erkennen de Conventie te hebben geschonden en hebben zich bij Duitsland verontschuldigd.

Walter LaGrand stierf in de gaskamer in maart 1999, een dag nadat het Internationale Gerechtshof, het hoogste gerechtelijke orgaan van de Verenigde Naties een spoedbevel had uitgevaardigd de executie op te schorten. Zijn broer Karl was al terechtgesteld voordat de zaak voor het hof was gebracht.

Volgens de Conventie van Wenen hebben gearresteerde buitenlanders recht op bijstand van hun ambassade of consulaat. Gedetineerde verdachten moeten op dat recht worden gewezen. De VS hebben de Conventie getekend en bekrachtigd, maar lappen de bepalingen geregeld aan hun laars. Duitsland daagde de VS daarom voor het Internationale Gerechtshof dat zetelt in het Haagse Vredespaleis.

LaGrand

De twee broers LaGrand zijn geëxecuteerd, ondanks protesten van Duitsland. Het tweetal, zonen van een Duitse moeder en een Amerikaanse vader, was ter dood veroordeeld voor de moord op de 63-jarige bankbediende Ken Hartsock in 1982. De broers staken hem tijdens een roofoverval neer, toen Hartsock zei dat hij de cijfercombinatie van de bankkluis niet kende. Op dat moment waren de LaGrands respectievelijk achttien en negentien jaar oud.

De LaGrands werden in 1984 na een kort proces ter dood veroordeeld. Duitsland is daar pas in 1992 van op de hoogte gesteld nadat alle beroepsmogelijkheden waren uitgeput.

Schröder

De zaak-LaGrand zorgde in Duitsland voor veel ophef. Bondskanselier Gerhard Schröder vroeg de VS persoonlijk om gratie, maar vergeefs. De gouverneur van Arizona, de Republikeinse politica Jane Dee Hull, liet de executies doorgaan, ondanks het andersluidende advies van de gratiecommissie van Arizona.

In een uitzonderlijke spoedprocedure vroeg Duitsland op de avond van 2 maart 1999 het Internationale Gerechtshof op de valreep de executie van de tweede broer, Walter, te verbieden, nadat Karl al in februari was geëxecuteerd. Het hof beval de VS op 3 maart unaniem in kort geding de executie te staken totdat de zaak in een bodemprocedure kon worden behandeld. Maar nog dezelfde dag werd Walter LaGrand terechtgesteld.

Paraguay

Het is niet de eerste keer dat een land de terdoodveroordeling van een eigen onderdaan in de VS aanhangig maakt voor het Internationale Gerechtshof. Paraguay deed dat in 1998 in de zaak-Breard. Die Paraguayaan was in de VS ter dood veroordeeld, voordat de Paraguayaanse ambassade was verwittigd. Volgens de regering in Asuncion kende Breard het Amerikaanse recht slecht, en had hij met steun van zijn thuisland betere kansen gemaakt in het proces. Het Internationaal Gerechtshof vroeg de VS toen ook vergeefs de executie uit te stellen.

Paraguay liet de rechtszaak tegen de VS daarop vallen omdat het kwaad al was geschied. Duitsland daarentegen maakt van de zaak-LaGrand een principekwestie.