BRUSSEL - De totale budgettaire kost van de vergrijzing bedraagt 3,1 procent van het bruto binnenlands product (BBP) tussen 2002 en 2030. Zo staat in het tweede rapport van de Studiecommissie voor de Vergrijzing dat vandaag aan de regering werd overgemaakt.
Commissievoorzitter Theo Peeters wees erop dat vorig jaar in het eerste rapport nog voorspeld werd dat de kosten voor de sociale uitgaven zouden dalen van 21,8 pct naar 21,5 pct van het BBP in 2002. Door de slechte economische toestand stegen de uitgaven evenwel tot 22,8 pct.

De Studiecommissie maakte ook simulaties over de invloed van een tragere uitstap van 58-plussers uit de arbeidsmarkt en van de nieuwe wet op de aanvullende pensioenen. Indien de tewerkstellingsgraad onder de oudere werknemers met één procent per jaar zou stijgen, daalt de kost van de vergrijzing met 0,3 procent van het BBP, aldus Peeters. Wat de tweede pensioenpijler betreft, zouden fiscale stimuli ten belope van 0,2 pct van het BBP, zo'n half miljard euro, een toename van het inkomen van de gepensioneerden met tien procent betekenen.

Zowel premier Guy Verhofstadt als begrotingsminister Johan Vande Lanotte beklemtoonden dat België niet dezelfde problemen met pensioenen kent dan de buurlanden. Door een aantal minder spectaculaire ingrepen dalen de uitgaven voor pensioenen van 2002 tot 2010 zelfs met 0,4 pct van het BBP, aldus Vande Lanotte. Verhofstadt beklemtoonde dat men de pensioenleeftijd niet moet verhogen, maar de activiteitsgraad bij de oudere werknemers moet opkrikken. De formateursnota bevat daartoe een aantal stimuli, zei hij.

De Studiecommissie voor Vergrijzing werd door de Zilverfondswet opgericht binnen de Hoge Raad van Financiën. De commissie dient jaarlijks een verslag op te stellen waarin de budgettaire en sociale gevolgen van de vergrijzing op lange termijn worden onderzocht.