JAKARTA -- De Indonesische Mensenrechtencommissie heeft gezegd dat de militaire campagne tegen de separatisten in Atjeh faalt door het toenemende aantal slachtoffers onder de burgerbevolking. Daardoor bereikt het leger niet zijn doel ,,om de harten van de Atjeese bevolking te winnen''. Dat heeft M.M. Bilah, die onlangs een onderzoeksmissie naar Atjeh leidde, gezegd.
De kritiek van de commissie valt samen met de bekendmaking van het leger, dat sinds het begin van het offensief op 19 mei 338 rebellen zijn gedood en meer dan 600 gevangen zijn genomen of zich hebben overgegeven. Het leger houdt het aantal burgerslachtoffers niet bij, maar de politie zegt dat ten minste 150 burgers zijn omgekomen. Een woordvoerder van de rebellen, Ishak Daud, beschuldigde het leger van een ,,buitengewone leugen''. De meeste mensen die door het leger als rebellen worden aangeduid, waren in werkelijkheid burgers, zei hij.

De Mensenrechtencommissie wekte vorige maand de woede van het leger toen ze een een onderzoek aankondigde naar aanleiding van berichten over van een massagraf in Atjeh. De commissie stelde ook dat er executies, verkrachtingen en martelingen hadden plaatsgevonden, maar liet in het midden wie zich daaraan schuldig had gemaakt.

Het is welhaast ondoenlijk om de berichten uit Atjeh te verifiëren. Buitenlandse journalisten worden in hun bewegingen beperkt en mogen zich alleen met militaire escorte buiten de grote plaatsen begeven.

Het wrede optreden van het leger wordt dikwijls als een van de oorzaken genoemd van de opstand, die in 1976 begon toen Jakarta terugkwam op beloften om de olie- en gasrijke provincie meer autonomie te gunnen. Sinds het begin van de opstand zijn in Atjeh meer dan 12.000 mensen omgekomen.