Meer dan 95 procent van de inwoners van Brussel zegt uitstekend Frans te spreken. Dat maakt van die taal de lingua franca van onze hoofdstad, de taal waarvan ook niet-Franstaligen zich in de omgang bedienen. Nochtans is Brussel geen exclusief Franstalige stad. Het is zelfs geen tweetalige stad: Brusselaars spreken meer dan vijftig talen of taalcombinaties.

Onderzoeken naar taalgebruik liggen sinds de afschaffing van de officiële talentellingen nog altijd moeilijk. ,,Mythes en vooroordelen'' zijn daarvan het resultaat, staat in de wetenschappelijke studie Taalgebruik in Brussel van VUB-socioloog Rudi Janssens.

Janssens onderscheidt in Brussel meer taalgroepen dan Nederlands- en Franstaligen alleen. De grootste taalgroep, met 50 procent, zijn de exclusief Franstaligen. Janssens telt 10 procent ,zuiver' Nederlandstaligen. Bijgevolg past 40 procent van de bevolking niet in het Nederlands/Frans-plaatje. Die groep omvat de anderstaligen, die in het gezin Nederlands noch Frans spreken, en niet onaanzienlijke groep tweetaligen. De traditioneel tweetaligen komen uit gezinnen, waar de ouders en/of grootouders ook al tweetalig waren. Hun tweetaligheid is dus geen overgangsfase in een verfransingsproces.

De verfransing van Vlamingen in de hoofdstad is trouwens tot een halt gekomen. Hoe jonger de tweetalige gezinnen, hoe meer geneigd ze zijn om hun kinderen ook Nederlands aan te leren, bijvoorbeeld door ze naar het Nederlandstalig onderwijs te sturen.

Vlamingen die in Brussel geboren zijn, gebruiken vooral Nederlands in hun privécontacten, maar ze hebben er geen probleem mee om naar het Frans over te schakelen in het openbare leven. Vlamingen die vanuit Vlaanderen naar de hoofdstad verhuisd zijn, spreken dan weer vaak Frans met vrienden en kennissen, maar staan erop in het openbaar hun eigen taal te gebruiken.

Janssens ging ook na wanneer men welke taal gebruikt. Daaruit blijkt dat Vlamingen vaak Frans spreken met hun buren, in buurtwinkels en op het werk. Ze maken ook gebruik van Franstalige media. In het gemeentehuis daarentegen spreken ze Nederlands, een oud strijdpunt van de Vlaamse beweging.

Tweetaligheid is onontbeerlijk in werksituaties. Nederlands- en Franstalige collega's converseren weliswaar voornamelijk in het Frans, maar contacten met klanten vereisen een goede kennis van het Nederlands. Janssens komt tot de conclusie dat de politieke tweeledigheid de Brusselse realiteit niet kan vatten. De twee pijnpunten hierbij zijn onderwijs en politieke participatie.


Onderwijs
Het Nederlandstalig onderwijs, georganiseerd door de Vlaamse Gemeenschap, is er lang niet meer voor Vlamingen alleen. Frans- en anderstaligen sturen er hun kinderen heen, omdat die later het Nederlands nodig hebben voor hun werk. Bovendien leeft in Brussel sterk de vraag naar tweetalig onderwijs.

Op politiek vlak bestaan enkel op gemeentelijk vlak tweetalige lijsten. Brusselaars moeten dus de keuze maken tussen Vlaamse en Franstalige partijen, een keuze waar maar weinigen zich in terugvinden. (AHO)