Nabestaanden krijgen joods bezit uit Belgische kluizen
Foto: © EDM
BRUSSEL - Na meer dan een halve eeuw in Belgische bankkluizen, hebben bezittingen van joodse oorlogsslachtoffers nu toch nog een rechtmatige bestemming gevonden.

PATRICE Pisterman uit het Franse Nancy heeft zijn Pools-Russische grootvader nooit gekend. Hij werd tijdens de Tweede Wereldoorlog het slachtoffer van de jodenvervolging. Maar voor hij verdween liet hij een enveloppe achter in een Antwerpse bankkluis. Na meer dan een halve eeuw heeft Pisterman de enveloppe van zijn grootvader gisteren alsnog in ontvangst kunnen nemen tijdens een officiële ceremonie op het kabinet van minister Reynders.

Behalve die van Pisterman troffen de Belgische banken na de oorlog nog 104 andere enveloppen in hun kluizen aan waarvan de joodse eigenaars om het leven waren gekomen. Lange tijd was het onduidelijk wat er met de enveloppen moest gebeuren. Totdat de banken in 2001 de stapel aan de federale overheid overdroegen en de speurtocht naar de rechthebbenden een aanvang kon nemen.

Het leek een bijna onmogelijke opdracht. Niemand durfde te voorspellen hoeveel van de enveloppen een nieuwe eigenaar zouden vinden. Na ruim drie jaar intensief speurwerk is het antwoord bekend. Voor dertien enveloppen is een bestemming gevonden. Het gros ervan is gisteren overhandigd aan de nabestaanden van degenen die ze ooit, voor of tijdens de oorlog, in een Belgische bankkluis deponeerden.

De enveloppenspeurtocht maakt deel uit van het streven van de bankwereld om schoon schip te maken met de joodse erfenis uit de Tweede Wereldoorlog. Enerzijds kwamen de banken en de joodse gemeenschap onderling overeen om een bedrag van 53 miljoen euro ter beschikking te stellen van nabestaanden. Het bedrag is gebaseerd op de financiële schade die de joden tijdens de Tweede Wereldoorlog hebben geleden. Momenteel hebben al 5.200 mensen een aanvraag ingediend bij de commissie die het fonds beheert.

Anderzijds waren er ook de verzegelde enveloppen die de banken in hun kluizen hadden gevonden en die nooit waren opgehaald. Aanvankelijk leken pogingen om de rechthebbenden te achterhalen weinig op te leveren. Vaak bevatte de buitenkant van de enveloppe geen enkele aanwijzing over de eigenaar. En als dat wel het geval was, bleek de inkt in de loop der tijd zodanig verbleekt dat de aanwijzingen onleesbaar waren geworden. ,,Het vinden van de rechtmatige eigenaar was niet evident. We hadden heel weinig informatie'', vertelt Fanny Coeckelbergh van de Administratie van het Kadaster, Registratie en Domeinen, die belast werd met het opsporen van de rechthebbenden.

Natrekking van de schaarse beschikbare gegevens bij het rijksregister leverde één nabestaande op. Zij kreeg op 17 december 2002 de enveloppe, die brieven en juwelen bevatte, overhandigd. Om ook voor de rest van de enveloppen een bestemming te vinden, was het nodig ze te openen. Daarover werd een protocol ondertekend met de joodse gemeenschap. Elke enveloppe werd onder notarieel toezicht opengemaakt. In een proces-verbaal werd vastgelegd wat de inhoud was. De meeste bleken alleen brieven en documenten met een emotionele waarde te bevatten. ,,Slechts in een kleine minderheid van de enveloppen werden voorwerpen met een geldelijke waarde teruggevonden'', zegt Coeckelbergh. Wel kwamen er door het openen van de enveloppen wat meer gegevens beschikbaar die nuttig waren voor het speurwerk naar de nabestaanden. Coeckelbergh: ,,We hadden wat meer aanwijzingen, maar in veel gevallen bleef de herkomst van de enveloppe toch duister. We moesten er ook rekening mee houden dat eventuele bijkomende briefjes of gegevens verwijderd waren door het Devisenschutzkommando, een eenheid van de Duitse bezetter die zich deviezen en juwelen toeëigende.''

De lijst van enveloppen werd gepubliceerd in het Belgisch-Israëlitisch Weekblad, het Staatsblad en op het Internet. Maar de belangrijkste rol was weggelegd voor het netwerk van de joodse gemeenschap. Coeckelbergh: ,,Mond-tot-mondreclame was heel belangrijk. De joodse gemeenschap is na de oorlog over heel de wereld uitgezwermd. Sommigen veranderden in hun nieuwe land hun naam. Via kennissen kwamen sommige mensen erachter dat hier eigendommen van hun familieleden aanwezig waren''.

Zo is het ook gegaan in het geval van Patrice Pisterman. Op een dag kreeg hij in Nancy onaangekondigd bezoek van de Belgische gepensioneerde diplomaat Jan Bousse. Hij had een doosje Belgische chocolade bij zich én het bericht dat Pistermans naam voorkwam op de lijst. Bousse was op zijn beurt op het bestaan van kleinzoon Pisterman attent gemaakt via nieuwsgroepen op het Internet, waar genealogische gegevens worden uitgewisseld.

Pisterman durfde de enveloppe gisteren nog niet open te maken. ,,Dat doe ik thuis, in aanwezigheid van de andere familieleden.'' Voor hem heeft de inhoud, wat die ook moge zijn, een belangrijke emotionele waarde. Zijn familie is door het nazi-regime bijzonder hard getroffen: zowel joodse familieleden als verwanten die actief waren in het verzet hebben de bezetting niet overleefd.

De publicatie van de lijst leverde een honderdtal reacties op. De overgrote meerderheid moest teleurgesteld worden. Slechts van twaalf mensen kon onomstotelijk worden vastgesteld dat ze de rechtmatige erfgenaam waren. Dat gebeurde op twee manieren: via gegevens in de bevolkingsregisters, en door het beantwoorden van vragen over de inhoud van de enveloppe. ,,De naam en voornaam van de oorspronkelijke eigenaar waren gepubliceerd'', zegt Coeckelbergh. ,,Als de rechthebbende daar een adres of geboortedatum aan kon toevoegen, wisten we zeker dat het om familie ging.''

Zes van de twaalf namen gisteren de enveloppe in ontvangst. Ze zijn afkomstig uit België, Frankrijk en Nederland. Zes anderen, afkomstig uit de Verenigde Staten, Israël, Canada en Groot-Brittannië, werden vertegenwoordigd door hun ambassade. Met de overhandiging zit voor Coeckelbergh het werk erop. ,,Het project wordt afgesloten, maar dat betekent niet dat niemand nog aanspraak kan maken op de andere enveloppen. Wij blijven bereikbaar.''

De overblijvende 92 enveloppen worden overhandigd aan een stichting die de joodse gemeenschap voor dit doel zal oprichten. Het is de bedoeling dat de enveloppen op termijn een plaatsje kunnen vinden in het Joods Museum van de Deportatie en het Verzet in de Mechelse Dossinkazerne.