De situatie op de obligatiemarkt vertoont de jongste maanden enige gelijkenis met die van het einde van de jaren negentig. Bijna acht jaar geleden bereikte de langetermijnrente in ons land een dieptepunt, met nauwelijks 4 procent voor obligatieleningen op 10 jaar. Begin 2000 piekte ze net onder de 6,5 procent. Een stijging met zowat 60 procent in minder dan anderhalf jaar. Bijna vier jaar was het toen geleden dat de langetermijnrente nog zo hoog had gestaan.

Wie destijds - begin 2000 - nerveus geworden door de huizenhoge koersen op de beurs het zekere opnieuw voor het onzekere heeft genomen, zal nu allicht een gelukkig man zijn. Hij ontsnapt niet alleen aan de fenomenale klap die de technologie- en telecomwaarden in 2001 en, vooral, in 2002 incasseerden, maar hij vermeed zelfs de duik van een aantal traditionele sectoren.

Veronderstel even dat hij begin 2000 een redelijk gespreide portefeuille aandelen verkocht die voor een derde belegd was in traditionele Amerikaanse steraandelen, voor een derde in Europese topwaarden en voor het laatste derde in technologie- en telecomwaarden van Europese en Amerikaanse oorsprong.

Zo'n portefeuille klom tijdens het eerste kwartaal van dat jaar nog met zowat 12 procent, maar dook nadien ruim een kwart omlaag. Wie begin 2000 zijn biezen pakte, vermeed daardoor een klap van ongeveer 18 procent.

In ruil voor hun dotcoms, Cisco's, Microsofts, Lernout & Hauspies, Nokia's, AT&T's, en noem maar op, namen die beleggers enkele obligatieleningen in portefeuille die sindsdien coupons van 6,25 tot 6,4 procent opleveren en dat nog tot en met begin 2010.

Zelfs als je ervan uitgaat dat de jaarlijkse coupon sindsdien gemiddeld slechts tegen 3,5 procent herbelegd kan worden en je altijd keurig je onroerende voorheffing hebt betaald, haal je bij de tarieven die je tot midden 2000 kon vinden, een globaal rendement van bijna 100 procent in 10 jaar.

Beleggers die op hun pakket aandelen bleven zitten, hebben de jongste jaren opnieuw puike prestaties kunnen optekenen. Maar dat kan niet beletten dat de aandelenmarkten van Parijs en Frankfort nog zowat een derde onder het peil van midden 2000 noteren en Amsterdam zelfs nauwelijks de helft haalt van het niveau van destijds. Enkel op Wall Street komt het oude recordpeil opnieuw in zicht.

Zo'n gespreide aandelenportefeuille lijdt dus nog steeds verlies. In het beste geval niet meer dan een tiental procent, maar allicht heel wat meer. Om tegen het einde van het decennium de obligatieportefeuille bij te benen moet de komende vier jaar telkens een gemiddeld rendement gehaald worden van 20 tot 25 procent, en dat lijkt echt niet heel waarschijnlijk.