PORTEFEUILLE. Rente lonkt naar voorzichtige belegger
DE langetermijnrente zit al even in de lift. Midden oktober vorig jaar ging de rente op kasbons een eerste keer omhoog. Het was toen bijna anderhalf jaar geleden dat het eens zo populaire beleggingsproduct nog eens positief in het nieuws was gekomen. Sindsdien volgden er nog een paar verhogingen, de recentste begin deze maand. Bij de meeste grote banken krijg je nu 2,8 procent op één jaar, 3,15 procent op twee en 3,3 procent op drie jaar.

Moeten we ons nu snel op de kasbons werpen, voor de rente opnieuw begint te dalen? Tja. Zelfs als je kiest voor een van de kleinere, en daarom vaak beter renderende banken, moet je je in het beste geval tevreden stellen met ongeveer 3,8 procent bruto voor een looptijd van vijf jaar. Trek daar nog 15 procent roerende voorheffing af en er blijft nog een kleine 3,25 procent rendement over.

Proficiat, daarmee doe je een flink procentpunt beter dan de inflatie. Akkoord, het is ooit in een niet zo lang geleden verleden een stuk slechter geweest, maar we worden er toch niet echt wild van. Geef ons dan maar een hoogrentend spaarboekje. Dat biedt netto ongeveer evenveel rendement, maar je geld is steeds beschikbaar. En de rente op die boekjes zien we nu toch echt niet meer verder dalen.

Met achtergestelde certificaten die uitgegeven worden door banken doe je nog iets beter. Vier procent op 7 jaar, 4,2 procent op 10 jaar. Dat zijn al looptijden die kunnen tellen en dergelijke certificaten zijn niet erg liquide. Je kunt ze enkel weer aan de uitgevende bank verkopen, en daar voelen we ons niet zo comfortabel bij.

Dan liever een obligatielening. Meer dan 4 procent voor looptijden van vijf jaar, tot 4,5 procent voor wie een iets langere beleggingshorizon heeft. En als je er een wat mindere kredietwaardigheid wilt bijnemen kom je nog wat hoger uit, zonder valutarisico te lopen.

Vergeet ook hier geen rekening te houden met 15 procent roerende voorheffing. Even de grens over wippen naar Luxemburg of Nederland is sinds midden vorig jaar geen optie meer, betalen doe je alleszins.

Per saldo hou je aan zo'n lening in het beste geval ruim 4 procent netto over. Is dat veel? Hangt er helemaal van af wat je alternatief is, maar vijf tot tien jaar is natuurlijk niet niets als looptijd.

Je kunt zo'n obligatie natuurlijk ook voortijdig verkopen, maar dat doe je enkel als de rente verder gestegen is en dan is de koers van bestaande leningen uiteraard gedaald. Wie wil er nu een lening met een coupon van 4,5 procent als nieuwe leningen 5,25 procent bieden? Tenzij je papier dat uiteindelijk tegen 1.000 euro zal worden terugbetaald kunt kopen voor pakweg 950 euro.

Maar is een levensverzekering dan geen beter alternatief. Een ,,Tak 21'' bijvoorbeeld, met een gegarandeerd rendement dus. Je moet je geld wel voor minimaal acht jaar vastzetten als je de fiscus legaal wilt dribbelen, maar daartegenover staan rendementen die afgelopen jaar opliepen van minimaal 4,15 tot maximaal 5 procent. Het gemiddelde van de jongste jaren zit ergens tussen de 5 en de 5,75 procent, netto.

Zo'n ,,Tak 21'' noemden we vroeger gewoon ,,levensverzekering''. Maar waar je vroeger jaarlijks, driemaandelijks of maandelijks een bedrag moest storten om zo een verzekeringskapitaal op te bouwen, kun je tegenwoordig ook een eenmalige storting doen.

De moderne Tak 21-producten leggen veel meer de nadruk op de voordelige fiscale aspecten dan op het levensverzekeringsaspect. Ze bieden steeds een vast basisrendement met daarbovenop een variabele deelname in de winst van de verzekeringsmaatschappij.

Tak 21 was vroeger overduidelijk een contract. Je engageerde je om op vaste tijdstippen een bepaald bedrag te storten, en in ruil kreeg je op je 65ste het op die manier bijeengespaarde bedrag, met rente, terug. Als je voordien overleed, kregen je erfgenamen 130 procent van het bijeengespaarde bedrag uitgekeerd.

Veel van die elementen zitten nog steeds in de Tak 21, maar je hoeft je niet meer vast te pinnen op periodieke premiestortingen.

Net als bij een spaarboekje zet je geld op je rekening of haal je het er af, nagenoeg naar believen. Veel Tak 21-producten zijn dus als het ware spaarboekjes geworden, hoewel de afhalingen vaak beperkt zijn tot 10 procent van de waarde van je belegging en ze soms de eerste jaren ook gepenaliseerd worden.

Ruim een jaar geleden hebben de meeste maatschappijen hun gegarandeerde basisrente van 3,25 procent verlaagd tot 2,75 procent. Bovenop die basisrente komt een deelname in de winst. Die varieert bij de meeste maatschappijen tussen 1 en 2,5 procent. Even informeren naar het percentage van de winstdeelnemingen van de jongste tien jaar kan heel leerzaam zijn. Vergeet bovendien niet dat coöperatief georganiseerde maatschappijen niet eerst hun aandeelhouders moeten vergoeden vooraleer hun winst met de klanten te delen.

Zoals gezegd garanderen de meeste verzekeraars tegenwoordig nog 2,75 procent rente, maar Budget Week maakte ons attent op de verzekeraar Integrale die nog steeds een minimumrendement garandeert van 3,25 procent.

Het afgelopen jaar kregen de klanten daar nog een bonus van 1,5 procentpunt bovenop, wat het totale rendement op 4,75 procent brengt. Niet bepaald de top van de markt, maar dankzij de lage instapkosten - 1 procent - kom je wel bij de besten. Zelfs ,,Invest for Life'' doet iets minder goed. Met 4 procent instapkosten doet AGF de sterke prestaties van zijn fonds duur betalen.

Wie acht jaar lang belegd blijft bij Integrale en in die periode gemiddeld 4,75 procent rendement haalt, heeft op het einde van de rit 44,7 procent return gehaald. Wie even lang belegd blijft bij AGF, met een gemiddelde rente van 5 procent, strandt op 43 procent. Met daarbovenop de zekerheid van een gegarandeerde rente die bij Integrale 0,75 procentpunt hoger ligt. Je weet immers maar nooit dat de rente nadien weer fors daalt.