NIET antwoorden op een vraag van de fiscus kan ernstige gevolgen hebben, zelfs als het de eerste keer is. Maar als er geen kwaad opzet in het spel is, kan de rechtbank ook mild zijn. Hetzelfde kan niet gezegd worden van de administratie.

Een en ander blijkt uit twee vonnissen van de rechtbank van eerste aanleg van Leuven waarop het vakblad Fiscoloog ons attent maakte. Het hangt er duidelijk allemaal van af hoe je er het zwijgen toe doet.

De administratie ontdekte een paar jaar geleden dat een belastingplichtige alle rechten bezit op het vermogen en op de inkomsten van een trust die beheerd wordt in Liechtenstein. Tot drie keer toe vraagt ze hem een overzicht van de inkomsten die de trust hem de jongste drie jaar heeft uitgekeerd.

Maar evenveel keer antwoordt de belastingplichtige, na een bijzonder omslachtige inleiding waarin hij telkens weer uitlegt wat een trust is en wat de rechten van de begunstigde zijn, dat de fiscus niet precies genoeg is en zijn vraag dus ,,onmogelijk te beantwoorden'' is. Hij vraagt daarom op zijn beurt dat de administratie haar verzoek om inlichtingen zou preciseren.

De rechtbank vindt dat niet erg geloofwaardig omdat de betrokkene in zijn antwoord regelmatig de term ,,begunstigd'' gebruikt waardoor de rechter geen geloof hecht aan zijn bewering dat hij niet precies weet wat het begrip inhoudt. Bovendien, vindt de rechtbank, blijkt uit zijn antwoorden dat hij ,,zeer goed'' wist wat de fiscus met zijn vragen bedoelde.

De rechtbank oordeelt daarom dat de belastingplichtige ,,manifest geweigerd'' heeft om op de vragen van de fiscus te antwoorden. Volgens haar heeft hij de administratie ,,gewoon voor de gek'' willen houden om te vermijden dat hij inlichtingen zou moeten verstrekken over ,,niet-aangegeven inkomsten''. Dus is er kwade trouw in het spel, zegt de rechtbank. ,,Ieder andere verklaring is uitgesloten.''

Maar het kan ook anders lopen. Dat bleek voor dezelfde rechtbank toen de vereffenaar van een vennootschap zich daar voor op het eerste gezicht soortgelijke feiten moest komen verdedigen.

De administratie stuurde hem een vraag om inlichtingen maar kreeg geen antwoord. Toen zij hem daarom een boete oplegde, verweerde de man zich door te bewijzen dat de vennootschap intussen failliet was gegaan, waardoor hij ervan uitging dat de curator de vraag moest beantwoorden.

Volgens de rechtbank blijkt uit de vraag van de administratie echter duidelijk dat de vereffenaar niet als vertegenwoordiger van de vennootschap werd aangeschreven, maar als ,,derde'' betrokken partij. Hij, en niet de curator, moest de vraag dus beantwoorden.

Maar volgens de rechtbank zijn er hier, in tegenstelling tot de voorgaande zaak, geen aanwijzingen van kwade trouw. De vereffenaar kon zelfs aantonen dat hij een antwoord aan de fiscus had voorbereid en doorstuurde naar de curator. Dat bewijst volgens de rechtbank dat hij te goeder trouw was.

Omdat voor een eerste overtreding die niet toe te schrijven is aan kwade trouw of aan ontduikingsopzet, geen boete verschuldigd is, besliste de rechtbank van eerste aanleg in Leuven dat de vereffenaar de opgelegde boete niet moet betalen.



Redacteur Luc Coppens bespreekt elke vrijdag een aspect van onze gezinshuishouding.