BRUSSEL - Wat maakt bedrijven tot groeibedrijven? En welk beleid is daarvoor nodig? Over die vragen bogen deskundigen zich twee dagen lang tijdens een conferentie in Oostende.

BELGIE wordt, met dank aan Louis Tobback, vaak omschreven als een apenland. Maar in werkelijkheid is het een muizenland. Kleine kmo's, die de ruggengraat van de Belgische economie vormen, zijn volgens de Amerikaanse econoom David Birch de muizen van het bedrijfsleven. Ze blijven klein, planten zich snel voort, maar sterven ook snel.

Daartegenover staan de olifanten van het bedrijfsleven: de grote multinationals. Ze zijn enorm groot, blijven lang leven, maar krijgen slechts één nakomeling per twee jaar. De échte kampioenen zijn volgens Birch de gazellen: kleine bedrijven die snel groter worden.

Dergelijke bedrijven zijn goed voor een derde van de totale werkgelegenheidscreatie. De kunst is er achter te komen waarom sommige bedrijven muis blijven en andere zich tot gazelle ontpoppen.

Met zulke vragen houdt het Impulscentrum Groeimanagement voor Middelgrote Ondernemingen (IGMO) van de Vlerickschool zich bezig. Het centrum hield donderdag en vrijdag in Oostende een conferentie over groeibedrijven. Het werkt samen met 108 snelgroeiende bedrijven, zoals Cardoen, Duvel Moortgat of Transics en legt zich toe op de ontwikkeling én verspreiding van kennis over groeibedrijven.

In België is er minder aandacht voor groeiers dan in het buitenland, zegt professor Hans Crijns van het IGMO. ,,Er wordt in ons land geen structureel onderzoek gedaan naar gazelles. Dat is jammer, want als je weet wat hen sterk maakt, weet je ook hoe je hen beleidsmatig kunt stimuleren. Dat gebeurt nu niet. Het beleid is erg gericht op starters. Maar niet elke starter bouwt een groeibedrijf uit.''

De nadruk die de politiek legt op het stimuleren van startende ondernemers houdt zelfs een gevaar in, zegt Crijns. ,,In de wetenschap wordt gesproken over adverse selection . Als starten té eenvoudig wordt gemaakt, loop je de kans dat slecht geleide ondernemingen de gezonde verdringen.'' Dat de muizen zo talrijk worden dat de gazelles niet kunnen overleven, om in de terminologie van Birch te blijven.

De economie heeft een zekere graad van turbulentie nodig, zegt Crijns. Ongezonde bedrijven verdwijnen en maken plaats voor nieuwe groeiers. Faillissementen zijn daarom niet per se negatief. Het is juist een teken van economische dynamiek. Die turbulentie is de afgelopen jaren sterk toegenomen, vooral in de Verenigde Staten. Na twaalf jaar heeft het IGMO heel wat kennis verzameld over groeibedrijven, met name over de knelpunten waarmee ze te maken kunnen krijgen. Snelle groeiers hebben bijvoorbeeld vaak moeite geschikt personeel aan te trekken. Ook moeten de organisatie en de structuur aangepast worden als het bedrijf in omvang toeneemt. ,,Groeiende bedrijven vormen een specifieke groep, met specifieke noden en uitdagingen, en vergen dus ook een specifieke behandeling. Voor groeiers is het essentieel een eigen omgeving te hebben.''

Crijns wijst bijvoorbeeld op handelsmissies, waar sommige groeiers wel aan deelnemen en andere niet. ,,Waarom? Ik weet het niet.'' Hij stelt ook vast dat het Instituut voor Wetenschap en Technologie (IWT) bij het toekennen van innovatiepremies geen specifiek beleid heeft voor groeibedrijven. ,,Misschien is het nuttig om bepaalde accenten te leggen.''

Crijns sluit niet uit dat dergelijke vragen negatief beantwoord moeten worden. ,,Als je vraagt: wat moet de overheid doen om groeibedrijven te stimuleren, kan het goed zijn dat het antwoord luidt: niets. Ondernemers maken gebruik van de vrije markt. Ze moeten misschien niet altijd naar de overheid kijken, maar ook naar zichzelf.''

U wil onze betalende artikels lezen maar nog geen abonnement nemen? Meld u aan en proef gratis van  plus-artikels.

Lees gratis ›

Geen betaalgegevens nodig