U kent ongetwijfeld het mechanisme van de klassieke levensverzekeringspolis. Iemand sluit met de verzekeringsmaatschappij een overeenkomst waarbij die laatste zich verbindt om bij het overlijden van de eerstgenoemde (verzekeringsnemer) een som uit te keren aan een derde persoon (begunstigde).

Bij het overlijden van de verzekeringsnemer ontvangt de begunstigde gratis een uitkering. Het is een zuivere levensverzekering die enkel het risico ,,overlijden'' dekt. Via zo'n contract kunt u een belangrijk deel van uw vermogen aan de nalatenschap, en daardoor ook aan de successierechten, onttrekken. Een pientere gedachte die de fiscale wetgever al lang heeft doorprikt.

Hoewel het contract tijdens het leven wordt afgesloten, moet de genieter successierechten betalen op het ogenblik dat de verzekeringsnemer sterft (art. 8 W.Succ.). Ook echtgenoten maken gebruik van verzekeringsproducten om elkaar op latere leeftijd of bij een onverwacht vroegtijdig overlijden te beschermen.

Zij die getrouwd zijn onder een gemeenschappelijk (of wettelijk) stelsel, zullen de premies meestal met gemeenschapsgelden financieren. Als één partner sterft, wordt daarom slechts de helft van het uitgekeerde bedrag aan het successierecht onderworpen.

De jongste tijd is er nogal wat commotie rond de problematiek van de betaalde premies van echtgenoten onder een gemeenschappelijk stelsel. Zo bepaalt de Verzekeringswet (art. 127-128) dat de aanspraken die een echtgenoot ten behoeve van de andere of van zichzelf heeft bedongen, een eigen goed zijn van de begunstigde echtgenoot. Het maakt daarbij geen verschil of de echtgenoot een levensverzekering heeft afgesloten in zijn eigen voordeel of in het voordeel van de andere echtgenoot.

Op basis van enig juridisch fatsoen zou er dan ook een vergoeding verschuldigd zijn. Het eigen vermogen heeft zich immers verrijkt ten koste van de huwgemeenschap die premies betaalde. Neen zegt de Verzekeringswet. Er is geen vergoeding verschuldigd, behalve wanneer de betaalde premies ,,kennelijk overdreven'' zijn. Eén echtgenoot kan dus op kosten van het gemeenschappelijke vermogen een eigen vermogen aanleggen.

In zijn arrest van 26 mei 1999 was het Arbitragehof nochtans van oordeel dat de Verzekeringswet discriminerend werkt wanneer de levensverzekering een ,,spaarverrichting'' is. In dat geval komt de uitkering niet aan de begunstigde echtgenoot toe, maar alleen aan de huwgemeenschap. Alleen als de levensverzekering louter de beveiliging van de langstlevende echtgenoot viseert (zuivere levensverzekering), gelden de bepalingen uit de Verzekeringswet en komt het voordeel alleen aan de langstlevende toe.

Wat denkt de fiscale administratie hierover? In haar beslissing van 31 juli 2006 (nr. 16/2006) maakt ze, zoals het Arbitragehof, een gelijkaardig onderscheid tussen een zuivere en een gemengde levensverzekering. Een zuivere levensverzekering dekt enkel het risico ,,overlijden'' waarbij het kapitaal bij het overlijden van het verzekerd hoofd wordt uitbetaald.

De overeenkomst waarbij een kapitaal wordt uitbetaald ofwel bij het overlijden vóór het bereiken van een bepaalde datum of leeftijd, ofwel bij het bereiken van die bepaalde datum of leeftijd, is een gemengde levensverzekering. Hieronder ressorteren ook de zgn. tak 21 en de tak 23 producten.

De talrijke toepassingsvoorbeelden in voormelde beslissing illustreren het voormelde onderscheid. Zo is er een verschillende behandeling indien bijvoorbeeld de begunstigde echtgenote overlijdt vóór haar partner die de polis op zijn hoofd heeft onderschreven. Bij de gemengde levensverzekeringen waarbij op dat ogenblik bijvoorbeeld nog geen kapitaaluitkering heeft plaatsgevonden, zal de afkoopwaarde ervan toch als een bestanddeel van het gemeenschappelijk vermogen worden beschouwd en derhalve ook worden belast.

Bij de zuivere levensverzekering is het resultaat anders. Zo is er hier geen taxatie indien de begunstigde echtgenoot voortijdig overlijdt.

Op dat ogenblik volgt er ook geen uitbetaling van het kapitaal, zodat het opgebouwde kapitaal op basis van de Verzekeringswet eigen blijft aan de nog in leven zijnde verzekeringnemer. Kiezen voor een welbepaalde levensverzekeringspolis heeft volgens de fiscus zo zijn eigen fiscale gevolgen.

Jos Ruysseveldt is prof. aan de Fiscale Hogeschool