Ons land stevent af op een confrontatie met de Europese Commissie. Bijna tien jaar al lapt België de eenmaking van de Europese markt voor groepsverzekeringen - de ,,tweede pensioenpijler'' - aan zijn laars. Formeel is ons land in orde, maar een fiscale adder zorgt ervoor dat niemand zich echt op het Europese grasveld waagt. De Commissie is het getalm beu. Sinds begin vorig jaar voert ze de druk op. België had tot midden februari de tijd om te reageren maar vroeg uitstel ,,voor analyse en reactie''. Volgens specialisten kan nu elk moment de dagvaarding voor het Europees Hof in de bus vallen.

OVER minder dan veertig jaar is de Europese Unie uitgegroeid tot een gigantisch ouderlingentehuis, waarin niet eens alle bejaarden er nog in slagen om tussen twee 'jongeren' (15- tot 64-jarigen) te wonen. Tegen 2040 zal de afhankelijkheidsgraad - de verhouding tussen het aantal 64-plussers en de bevolking op beroepsactieve leeftijd - in de meeste landen verdubbelen.

Wie de komende decennia met pensioen gaat, heeft alle reden om zich zorgen te maken. Net als diegenen die nog beroepsactief zullen zijn. Wie gaat dat allemaal betalen? Het Zilverfonds was een eerste stap. De Wet Aanvullende Pensioenen (WAP) een tweede. Maar ondertussen is België nog steeds niet in orde met de Europese richtlijnen daarover, stellen de specialisten van advocatenkantoor Lawfort vast.

Binnenkort is het tien jaar geleden dat verzekeraars voor het eerst hun diensten in heel Europa konden aanbieden zonder daarvoor in elke lidstaat een erkenning te moeten aanvragen. Het volstaat als verzekeraar in een van de lidstaten van de Europese Unie gevestigd te zijn om ook inwoners en bedrijven of organisaties te kunnen verzekeren die in andere lidstaten gevestigd zijn of wonen.

Hetzelfde geldt voor groepsverzekeringen. Als een Belgisch bedrijf voor zijn personeelsleden een appeltje wil laten groeien voor de oude dag, mag dat perfect bij een buitenlandse verzekeringsmaatschappij. Vooral voor Belgische filialen van buitenlandse ondernemingen kan dat handig zijn. Een Italiaanse onderneming met een kleine Belgische vestiging zal verkiezen die enkele tientallen werknemers op te nemen in de polis die al voor de duizenden Italiaanse arbeiders en bedienden werd afgesloten in Milaan.

Maar in de praktijk komt daar niets van in huis. Ondanks alle Europese reglementeringen zegt het Belgisch wetboek inkomstenbelastingen nog steeds dat ,,werkgeversbijdragen voor aanvullende verzekering tegen ouderdom en vroegtijdige dood'' maar als beroepskosten in aanmerking komen ,,op voorwaarde dat ze worden gestort aan een in België gevestigde verzekeringsonderneming''. Hetzelfde geldt voor de persoonlijke bijdragen van de personeelsleden.

De premies die een bedrijf stort in het kader van een groepsverzekering zijn dus maar aftrekbaar van de belastingen als de polis afgesloten is bij een Belgisch bedrijf of bij het Belgisch filiaal van een buitenlandse verzekeraar. De keuze voor een in het buitenland gevestigde verzekeraar kost het bedrijf dus een kwart tot ruim een derde extra, afhankelijk van het tarief van de vennootschapsbelasting dat erop van toepassing is.

Artikels 59 en 145 van het Wetboek Inkomstenbelastingen zijn strijdig, zegt de Europese Commissie, met artikel 39 van het EG-Verdrag dat het vrij verkeer van personen regelt en met artikel 49 dat voorziet in het vrij verkeer van diensten.

En er is nog meer. Artikel 364 bis van datzelfde Wetboek Inkomstenbelastingen (WIB) bepaalt al sinds 1992 dat het betalen of toekennen van ,,kapitalen, afkoopwaarden en spaartegoeden (pensioenen)'' aan een belastingplichtige ,,die zijn woonplaats of de zetel van zijn fortuin vooraf naar het buitenland heeft overgebracht'' geacht wordt te hebben plaatsgevonden ,,daags voor de overbrengst''.

Wie zijn oude dag in het buitenland wil doorbrengen, zal zijn extralegaal pensioen pas in handen krijgen nadat hij er in België belastingen heeft op betaald. Volgens de meeste internationale verdragen mag zo'n belasting nochtans enkel geheven worden in het land waar iemand woont.

België maakt enkel een uitzondering voor landen waarmee daarover een uitdrukkelijk akkoord werd gesloten. Het dubbelbelastingverdrag met Nederland is een van die uitzonderingen.

Artikel 364 bis is volgens de Commissie niet alleen strijdig met artikel 39 van het EG-Verdrag (vrij verkeer van personen). Ook het Hof van Cassatie oordeelde begin december vorig jaar nog dat het bestaan van een dubbelbelastingverdrag op zich volstaat om dergelijke pensioenen te belasten in het land waar de begunstigde woont.

En het gaat nog verder. Ook artikel 364 ter van het WIB verhindert de vrije werking van de Europese markt voor pensioenen. ,,Wanneer kapitalen of afkoopwaarden door het pensioenfonds of door de verzekeraar ten bate van de begunstigde worden overgedragen naar een ander pensioenfonds of een andere verzekeraar, wordt die verrichting niet als een betaling of toekenning aangemerkt.'' Maar dat is ,,niet van toepassing bij overdracht van het kapitaal of van de afkoopwaarde naar een in het buitenland gevestigd pensioenfonds of verzekeraar''.

Door die ,,gelijkstelling met een betaling of toekenning'' worden pensioenreserves die overgedragen worden aan een buitenlandse verzekeraar onmiddellijk in België belast.

Een Belg die na jaren pensioenopbouw in eigen land overgeplaatst wordt naar een ander Europees land, betaalt op dat bedrag dus eerst belastingen in eigen land. Bij de definitieve uitkering van het pensioen zal het in de meeste Europese landen nogmaals belast worden.

Artikel 364 is volgens de Commissie strijdig met de artikels 39 en 56 van het EG-Verdrag die respectievelijk het vrije verkeer van personen en van kapitaal garanderen.

Een troost misschien toch bij dit alles. België is niet de enige zondaar. Nog meer dan de helft van de Europese landen is niet volledig in orde met de Europese richtlijnen. Maar wat voor de Belgische overheid een troost is, is het allerminst voor de Commissie. Al sinds 1992 ijvert zij voor het wegwerken van wat ze ,,fiscale discriminaties'' noemt ten aanzien van buitenlandse pensioenfondsen en verzekeraars.

De jongste jaren liet Europees Commissaris Fritz Bolkestein er geen twijfel over bestaan dat hij vastberaden wil doorgaan. Ruim een jaar al loopt tegen België een inbreukprocedure. Daarom zijn gespecialiseerde advocaten ervan overtuigd dat België dringend stappen moet doen als het een dagvaarding voor het Europees Hof wil vermijden.