BRUSSEL - De Belgische economie heeft zich onlangs laten inlopen en zelfs voorbijsteken door de Europese collega's. Toch toont gouverneur Guy Quaden van de Nationale Bank zich nog optimistisch.

VIER maanden geleden noteerde de Nationale Bank in haar jaarverslag dat de Belgische economie gezien haar geringe potentiële groei - amper 2 procent per jaar doorheen de conjunctuurgolven - slechts een tijdlang sneller kan groeien dan die van het eurogebied als geheel. Ze kreeg sneller gelijk dan ze had verwacht.

De vertraging was ook scherper dan de bank had verwacht: volgens de eerste gegevens was er in het eerste kwartaal een nulgroei, nadat het vierde trimester van 2004 al heel zwak was uitgevallen. Ze werd bevestigd door de uitgesproken daling van het vertrouwen van de bedrijven (de bouwnijverheid uitgezonderd) en van de consumenten.

Gouverneur Quaden noemde haar gisteren ,,niet dramatisch; wel een teleurstelling''. Mogelijke verklaringen ziet hij in de nieuwe, forse stijging van de ruwe-olieprijs in februari en maart, het besef dat in de dure olie niet langer een tijdelijk verschijnsel mag worden gezien, de versnelling van de Belgische inflatie - van 1,9 procent in december tot 2,8 procent in maart - en de besmetting die uitging van de groeivertraging in andere Europese landen. De politieke blokkering rond Brussel-Halle-Vilvoorde was niet de oorzaak van de verslechtering van het economisch klimaat, maar heeft zeker niet geholpen.

De herziene groeiprognosen van de Nationale Bank liggen in de lijn van die van de Oeso en van het Planbureau, zodat ze geen verrassing zullen wekken. Quaden verwacht een geleidelijke versnelling van de economische activiteit vanaf de tweede helft van het jaar omdat de financieringsvoorwaarden gunstig zijn voor de investeringen van de gezinnen en van de bedrijven (de rente is historisch laag en de winsten nemen toe). Een bijkomende reden tot optimisme is de verwachte stabilisering van de olieprijzen en van de wisselkoersen.

De gouverneur noteerde echter met bezorgdheid dat België internationale marktaandelen verliest, wat blijkbaar aan een verlies van concurrentiekracht moet worden toegeschreven.

Uit de beperkte stijging van het algemene prijspeil, olieprijzen buiten beschouwing gelaten, kan nochtans worden afgeleid dat de sterke prijsstijging van ruwe olie de overige prijzen nog niet heeft besmet en evenmin tot een versnelde loonstijging aanleiding heeft gegeven.

Het reëel beschikbaar inkomen van de gezinnen zal dit en volgend jaar sneller toenemen dan in 2004, namelijk met respectievelijk 1,8 en 2,6 procent. Het gezinsverbruik zal trager toenemen dan het inkomen, wat inhoudt dat de spaarquote toeneemt. Ze was beduidend gedaald, van meer dan 20 procent tot goed 14 procent van het beschikbaar inkomen, en heeft daardoor de economische activiteit jarenlang ondersteund.

De werkgelegenheid pleegt met ongeveer zes maanden vertraging te reageren op het tempo van de economische groei en zal daarom aanvankelijk nog gunstig evolueren. De Nationale Bank verwacht dit jaar een netto-creatie van 34.000 banen, tegen 28.000 vorig jaar. Volgend jaar zullen het er naar verwachting weer maar 28.000 zijn. Doordat de actieve bevolking nog toeneemt, zou de werkloosheidsgraad (Europees geharmoniseerd cijfer) stijgen van 7,8 tot 8 procent.

De overheidsfinanciën zullen de weerslag ondergaan van de inzakking van de conjunctuur, van de sterke vermindering van de ,,eenmalige operaties'' - er zijn verkopen van overheidsgebouwen gepland ter waarde van 0,4 procent van het bbp - en van de structurele maatregelen inzake ontvangsten, vooral de hervorming van de personenbelasting.

Zonder nieuwe maatregelen ontstaat volgens Quaden een oplopend tekort op de overheidsfinanciën, dat dit jaar 0,5 procent en volgend jaar 1,4 procent van het bbp kan bedragen. Ingrepen om dat te voorkomen, zijn volgens hem voor de economie een noodzaak.