ANALYSE. Balans van moeizame loononderhandelingen
De staking bij InBev in Leuven leek het begin van een hele hete lente. Dat viel uiteindelijk nog mee. Foto: © VJE
BRUSSEL - De tweejaarlijkse cao-overlegronde in de bedrijfssectoren loopt naar zijn einde. De laatste grote onderhandelingen vinden dezer dagen plaats bij de verzekeraars en de banken. Moeizaam, zoals het loonoverleg in vele sectoren is geweest. Toch is de vrees voor een totale oorlog tussen vakbonden en werkgevers niet uitgekomen.

DE mislukking van het nationale loonoverleg, begin februari, deed het ergste vrezen voor de cao-onderhandelingen in de sectoren. De federale regering mocht dan wel de niet-ondertekende afspraken - zoals de loonnorm van 4,5 procent en flexibeler regels voor overuren - hebben overgenomen, maar het diepe wantrouwen tussen vakbonden en werkgevers zou tot grote conflicten kunnen leiden. Dacht iedereen.

In de aanloop naar het sectoroverleg lieten vooral de leiders van de socialistische vakbondscentrales, maar bijvoorbeeld ook de christelijke bediendenbond LBC, niet na om te benadrukken dat ze zich niet gebonden voelden door de nationale compromissen.

Eind maart, begin april leek het helemaal de verkeerde kant op te gaan. Er waren toen al stakingen geweest bij enkele grote voedingsbedrijven, zoals bij InBev in Leuven, er liepen stakingsacties bij de bewakingsbedrijven en er was een stakingsaanzegging in de papierindustrie.

En, vooral, de metaalvakbonden (in meervoud) maakten zich sterk met een nationale stakingsaanzegging. de eerste sinds 1959. Idem voor de distributiesector, waar de vakbonden van plan waren om de grootwarenhuizen twee dagen plat te leggen, in het hemelvaartweekeinde.

De krachtmeting verliep steeds meer op straat, en op de werkvloer, en niet langer aan de onderhandelingstafel. Zowat alle vakbondsonderhandelaars trokken zich immers op aan het voorbeeld van de socialistische voedingsvakbond. Die was er met bedrijfsgebonden acties in geslaagd om een beduidend hogere loonstijging te verkrijgen van de werkgeversfederatie Fevia. Het stakingswapen werkte. En dat verdiende navolging.

Toch kwam het niet tot een fatale escalatie. De dreiging met staking bleek meestal al voldoende om de werkgevers tot toegevingen te bewegen. Ook bij de grootste werkgeversfederatie van allemaal, Agoria. De professionele onderhandelaars van Agoria kregen de boodschap van hun achterban dat elke dag productieverlies de bedrijven handenvol geld kost. En dat iets meer toegeven op de looneisen van de vakbonden te verkiezen was boven een dure staking.

In de textielindustrie zaten de onderhandelingen ook wekenlang in een patstelling. Maar hier bestond er bijna geen vrees voor een uitgebreide protestgolf, al kwam het tot een sporadische bedrijfsactie. De textielbonden beseften dat ze in het moeilijke economische klimaat, met grote technische werkloosheid en veel faillissementen, onmogelijk de sector konden plat leggen. Twee jaar geleden lag dat nog anders. Toen kregen de textielbedrijven tweemaal de rekening gepresenteerd: door een meerdaagse staking en door een bijzonder dure loonovereenkomst.

(GEEN) SUCCES

Het uitblijven van de grote confrontatie heeft een rechtstreeks (gunstig) effect gehad op de afloop van de loononderhandelingen. In bijna alle grote economische sectoren zijn er intussen cao's afgesloten.

Bij de arbeiders zijn alle grote dossiers afgerond.

Bij de bedienden blijven er een aantal sectoren achter, voorlopig zonder zicht op een oplossing. Het gaat om de twee financiële sectoren - banken en verzekeringen - en om de bedienden uit de voedings- en metaalindustrie. In de voeding loopt er nog een verzoeningsprocedure, in de metaal zijn de nationale gesprekken afgelopen. De werkgeversfederatie Agoria wil het cao-overleg verplaatsen naar het provinciale niveau, maar vindt tot nog toe geen gehoor bij de vakbonden.

De timing van de cao-onderhandelingen is erg klassiek verlopen. Als eersten waren midden maart de ,,rijke'' sectoren van de chemie- en petroleumnijverheid klaar. Dat is een terugkerend patroon. Daarna kwamen een reeks industriële sectoren, met voorop het overleg met de arbeidersvakbonden. Daarna volgden de bouw en de bedienden in de industriële sectoren. Met de bedienden in de dienstensectoren als laatsten in de rij. Ook dat is klassiek, met het grote aanvullend nationaal paritair comité (anpcb) en de banken en verzekeringen als hekkensluiters.

Er is evenmin sprake van een uitzonderlijke vertraging op het schema, ondanks de verlate start van het sectoroverleg als gevolg van de aanslepende en uiteindelijk mislukte nationale loononderhandelingen. Maar de informele uitwisseling van eisenbundels tussen de sectoronderhandelaars, in februari en maart, nam al bij al weinig tijd in beslag. Eind maart draaide het cao-circuit al op volle snelheid.

(NIET) DUUR

De totaalprijs van de cao-afspraken - zeg maar de loon- en arbeidsvoorwaarden voor de periode 2005-2006 - was overal het belangrijkste discussiepunt. Soms zelfs het enige. Nationaal hadden de delegaties van werkgevers en vakbonden na veel bloed, zweet en tranen - en met regeringshulp - over een indicatieve loonnorm van 4,5 procent onderhandeld. Indicatief, richtinggevend dus, niet dwingend.

Maar het debat over de maximaal haalbare loonkostenstijging is in de sectoren nog eens droogjes overgedaan. De vakbonden vonden de 4,5 procent een vertrekpunt, geen einddoel. Zeker geen absoluut maximum. De werkgevers vonden het cijfer sowieso te hoog en wilden er onder blijven.

Dat is de werkgevers in een aantal sectoren ook gelukt. Het beste voorbeeld terzake is de cao voor de arbeiders in de houtindustrie, waar de loonsverhoging tot 4 procent beperkt is gebleven.

De kostprijs van de meeste akkoorden varieert in de marge tussen 4 en 4,5 procent. Mooi binnen de loonnorm. Maar nogal wat cao's in 'grote' sectoren gaan boven dat symbolische cijfer. Een beetje (zoals in de metaal), iets ruimer (de bouw), of zelfs heel ruim (bijvoorbeeld in de distributie en de chemie).

Zelfs in de veelgeplaagde textielindustrie draait het prijskaartje rond 4,5 procent. Niet door hoge loonstijgingen, maar als gevolg van een herfinanciering van het sociaal fonds, dat aanvullende uitkeringen geeft bij werkloosheid en ziekte.

In ieder geval ligt de cao-kostprijs overal lager dan twee jaar geleden. Twee voorbeelden ter illustratie: in het anpcb gaan de bediendenbarema's forfaitair met 18 euro omhoog, tegen 22 euro in de vorige cao; in de distributie gaat het om respectievelijk 20 en 25 euro.

Is dat voldoende gematigd om tegemoet te komen aan de doelstelling van de loonnorm, namelijk het behoud (en zelfs herstel) van de concurrentiepositie van de Belgische bedrijven? De meningen zijn erg verdeeld.

Slechts in één enkel geval, het anpcb, hing de uiteindelijke goedkeuring van het ontwerp van akkoord niet af van de verkregen (of toegekende) loonstijging. De aanhang van de christelijke bediendenbond LBC liet zijn stem vooral afhangen van de gewijzigde afspraken over tijdskrediet voor de zogenaamde niet-uitvoerende bedienden en kaderleden. Het toont aan dat een cao-dispuut niet-financieel van aard kan zijn. Zoals twee jaar geleden bij de invoering van uitzendarbeid in de bouw.

MEER DAN INDEX

Werkgevers en bonden argumenteerden hun pleidooi voor respectievelijk loonmatiging en loonstijging met een totaal verschillende economische visie: de nood aan het herstel van de concurrentiehandicap versus de vraag bij het personeel naar een beloning voor de (vaak) mooie winstcijfers van de bedrijven.

De vakbondsleiders vonden en vinden de gevraagde en verkregen loonstijgingen ,,meer dan verantwoord''. Onder hun stakingsdruk werd bijna overal meer toegestaan dan aanvankelijk vooropgezet door de werkgeversfederaties. In de metaal komt er 4,4 procent bij op de loonkosten, al wilde Agoria lange tijd maar tot 4 procent gaan. Idem voor de arbeiders in de voedingsbedrijven.

De hoogste marge voor loonstijgingen komt op rekening van de petroleumsector, met 7,5 procent. De chemie eindigde boven 5 procent, in cumul van sectorale en bedrijfsgebonden loonakkoorden. De distributiesector ging verrassend hoog, tot 5,5 procent, in de bouw en de grafische sector was het resultaat 4,75 procent.

Misschien geen cijfers die aanleiding geven tot een zware loonontsporing in vergelijking met de buurlanden. Maar allicht niet van aard om de historische handicap van de Belgische bedrijven in te lopen. Vandaar de getemperde tevredenheid bij de vakbonden, en veel ontgoochelde gezichten aan werkgeverskant.

Bij 4,5 procent zagen de bediendenbonden hun onderhandelingsmarge ingeperkt tot de automatische loonindexering en de klassieke baremaverhogingen. Zonder ruimte voor een netto-loonsverhoging. Toch vroegen ze meer dan index en barema's, vaak tot woede van de werkgeversdelegatie. Agoria vroeg zich openlijk af ,,waarom de bedienden denken dat ze meer zouden moeten krijgen dan de arbeiders''. Die arbeiders moeten over elke frank loonsverhoging bovenop de index onderhandelen. De bediendebarema's zijn verworven.

Agoria weigerde te plooien. Maar in de sector van transport en logistiek liet de socialistische BBTK fier weten 1,5 procent te hebben verkregen bovenop index en barema's.

Taaie gevechten werden ook weer gevoerd over het indexeringsmechanisme. In de voeding, bouw en metaal blijft het zogenaamde all-in systeem bestaan. Concreet: de automatische indexering blijft behouden, maar op het einde van de cao-periode wordt een correctie doorgevoerd op de nettoloonsverhoging als de inflatie (en bijbehorende indexaanpassing) te hoog is opgelopen. Daardoor stijgt de totale kostprijs van de cao niet boven het afgesproken percentage uit.

Het overleg over de bedienden in de voedingssector zit vast op die all-in formule.

BRUGPENSIOEN BLIJFT

Vuurwerk over het brugpensioen is uitgebleven. Zowat alle onderhandelaars hebben zich wijselijk ver weg gehouden van een mini-eindeloopbaandebat. Terloops, het nationale eindeloopbaandebat wordt al vele maanden aangekondigd, maar moet nog altijd beginnen.

In de sectorcao's worden de bestaande afspraken zonder meer verlengd, soms zelfs tot midden of eind 2007, voorbij de eigenlijke cao-periode. ,,Het bewijs'', beweren de vakbonden, ,,dat de werkgevers in de praktijk geen problemen hebben met het brugpensioen, hoe hard hun federaties ook roepen over afbouw of afschaffing ervan''.

Het VBO ondernam in het anpcb wel een poging om het recht op brugpensioen te koppelen aan de al dan niet opname van tijdskrediet tijdens de carrière. Tevergeefs.

ZONDER INSPIRATIE

De afspraken getuigen niet van grote inspiratie of sociale innovatie. Twee jaar geleden maakte de bouw bijvoorbeeld nog naam door de uitbreiding van het toegelaten aantal overuren, tot 130 uur per jaar. Die regeling stond afgelopen winter model voor nationale afspraken terzake.

Dat soort creativiteit is dit keer erg beperkt. In de distributie heeft Fedis in ruil voor een zware loonsverhoging wel een soepeler uurregeling verkregen voor deeltijdse werknemers, zodat ze makkelijker kunnen ingezet worden in piekperiodes, zoals tijdens de koopjes of rond Kerstmis.

Over een dossier dat twee jaar geleden veel ophef maakte en zelfs tot een reeks stakingen leidde in kleine warenhuizen, de vakbondsvertegenwoordiging in de kmo's, was deze keer zelfs helemaal geen sprake.