IN een arrest van 17 maart 2004 heeft het Arbitragehof een fiscale bepaling van de nieuwe vzw-wet vernietigd, maar tezelfdertijd beslist dat de maatregel van toepassing blijft tot hij door een andere vervangen wordt. Omdat het ging om een belastingvermindering, blijft die vermindering geldig totdat een van de wetgevende parlementen van dit land ze weer afschaft. In Vlaanderen was de decreetgever het Arbitragehof echter te snel af.

Waar gaat het over ? De gewraakte bepaling maakt deel uit van de nieuwe wet op de vzw's van 2 mei 2002. De federale wetgever maakte van deze wet gebruik om een fiscale hinderpaal voor reorganisaties van vzw's uit de weg te ruimen. Vele vzw's, denk maar aan ziekenhuizen, scholen en rusthuizen, werden immers gedwongen om te fusioneren om nog in aanmerking te komen voor subsidies en andere voordelen. Dat betekende dat een deel van de oude vzw's verdwenen en dat hun vermogen moest overgeheveld worden naar een nieuwe vzw of een andere bestaande vzw die hun activiteiten verder zet.

Wanneer die overdracht gebeurt zonder tegenprestatie, dan werd op de waarde van het overgedragen vermogen een schenkingsrecht van 1,1% geheven. Artikel 140, 3° van het registratiewetboek voorzag immers in een heffing van 1,1 % voor schenkingen of inbrengsten om niet van een vzw in een andere vzw. Voor vzw's met veel onroerende goederen, betekende dat vaak een financiële aderlating.

Door de wet van 2 mei 2002, die de vzw-wet van 1921 in een nieuw kleedje stak, werd het tarief voor schenkingen en inbrengen om niet vervangen door het zogenaamde algemeen vast recht van 25 euro. Dat was echter niet naar de zin van het Waals Gewest. De Waalse regering was van oordeel dat de federale wetgever zich op haar bevoegdheidsdomein gewaagd had. Was de bevoegdheid om het tarief van de schenkingsrechten vast te stellen immers niet door de bijzondere wet betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten, aan de gewesten toebedeeld ?

De federale regering meende dat dit enkel het geval was voor de echte schenkingen. Vermogensoverdrachten tussen vzw's waarvan de activiteiten worden samengevoegd, zouden geen schenkingen zijn, maar inbrengen om niet. Een inbreng om niet kent weliswaar geen geldelijke tegenprestatie, maar de overnemende vereniging engageert zich om het doel van de overdragende vereniging verder te zetten. Deze immateriële tegenprestatie zou voor gevolg hebben dat het hier niet om een schenking gaat. Bijgevolg zouden niet de gewesten, maar de federale wetgever bevoegd zijn om er de tarieven van te bepalen.

Het Arbitragehof volgt die redenering echter niet. Het Hof stelt vast dat de regeling voor de inbrengen om niet deel uitmaakt van het hoofdstuk over de schenkingen. Het Hof meent dat het de bedoeling was van de bijzondere wetgever om een homogeen bevoegdheidspakket over te dragen aan de gewesten. Deze delegatie had dan ook betrekking op het gehele hoofdstuk van de schenkingen, met inbegrip van de inbrengen om niet. Door te raken aan de inbrengen om niet, heeft de federale wetgever zich dan ook op het terrein van de gewesten gewaagd en heeft hij zijn bevoegdheid overschreden. De wijziging wordt dan ook door het Arbitragehof vernietigd.

Betekent dat nu dat de vermogensoverdrachten die op grond van de vernietigde bepaling van het vast recht hebben genoten, nu alsnog zullen worden belast aan het tarief van 1,1%? Dat is gelukkig niet het geval. Het Arbitragehof kan immers de gevolgen van een vernietigingsarrest beperken. Het Hof is van oordeel dat de belastingplichtigen niet in hun legitieme verwachtingen mogen teleurgesteld worden. Om die reden beslist het Hof om de vernietigde regel te handhaven totdat de gewesten een ander registratierecht hebben of zullen hebben vastgesteld voor inbrengen om niet tussen vzw's, private stichtingen en stichtingen van openbaar nut.

Voor Vlaanderen werd het tarief voor dergelijke verrichtingen reeds bij decreet van 19 december 2003 vastgesteld op 100 euro. Dat is dus wel iets meer dan het algemeen vast recht van 25 euro dat in de andere gewesten van toepassing blijft, tenminste totdat de Waalse of de Brussels regeringen zich geroepen voelen om dat tarief te veranderen. In geen geval zullen de reorganisaties van Waalse of Brusselse vzw's voortaan opnieuw automatisch aan het tarief van 1,1 % onderworpen worden.

De Waalse Regering is dan ook slechts de morele overwinnaar van deze rechtsstrijd.

Deze rubriek verschijnt wekelijks op donderdag. De auteur is advocaat bij Dumon, Sablon & Vanheeswijck.