DOSSIER. George Forrest investeert in kopermijn
Foto: © Photo News
Op 65-jarige leeftijd begint de Belgisch-Congolese zakenman George Forrest aan het grootste project uit zijn carrière. Samen met Canadese zakenpartners blaast hij een van de grootste mijnen in de koperprovincie Katanga nieuw leven in. Deze week werd de officiële overdracht getekend. De steun van de lokale bevolking, van de Congolese overheid en van internationale investeerders wegen voor Forrest op tegen de kritiek die hij in België moet slikken wegens de manier waarop hij de Congolese bodemrijkdommen te gelde maakt.
EEN gestage stroom vrouwen en kinderen baant zich een weg door het grint en de stofwolken van de weg naar de Kamoto-mijn in Kolwezi. Allemaal dragen ze een knalgele jerrycan met zich mee, gevuld met water uit de mijn. Het is de enige vorm van watertoevoer naar hun dorp, waar de waterleiding voor onbepaalde tijd buiten dienst is.

Het wegvallen van de watertoevoer is exemplarisch voor de snel verslechterende leefomstandigheden in de mijncités rond Kamoto. De kopermijn is in een neerwaartse spiraal terechtgekomen. Door wanbeheer van het overheidsmijnbedrijf Gécamines is de productie vrijwel stilgevallen. Een deel van de ondergrondse gangen is ingestort. De pijpleidingen waarmee het koperconcentraat naar de verwerkingsfabriek werd vervoerd, liggen in stukken en brokken door het landschap verspreid. Veel gebouwen en machines zijn tot schroot verworden. De 1.250 personeelsleden zijn virtueel werkloos. Salarissen - in veel gevallen niet meer dan een schamele honderd dollar per maand - worden maandenlang niet uitbetaald. Het mijnziekenhuis functioneert niet meer. De scholen zijn gesloten. Uit wanhoop proberen sommige cité-bewoners wat te verdienen met de verkoop van handmatig uitgehouwen brokken erts.

Geen wonder dat de bevolking van Kolwezi dolblij is met het initiatief van George Forrest. De omstreden zakenman wil de mijn nieuw leven inblazen en met een investering van 426 miljoen dollar weer op zijn oude productieniveau terugbrengen. De officiële ondertekening van de transactie, afgelopen dinsdag, moet een van de grootste moments de gloire uit Forrests carrière zijn geweest. Toegejuicht door de bevolking, die hem met spandoeken tot de redder van Kolwezi uitriep, omstuwd door cameraploegen van de Congolese en Belgische pers, en in het gezelschap van genodigden uit gouvernementele, zakelijke en diplomatieke kringen bevestigde Forrest eens te meer zijn status als ongekroonde koning van Katanga.

Forrests populariteit in Congo is des te paradoxaler omdat zijn zakenimperium in België al jarenlang vanuit tal van hoeken op de korrel wordt genomen. Via lepe financiële en zakelijke constructies zou Forrest de Congolese bodemschatten te gelde maken ten nadele van de lokale samenleving. Ook het Kamoto-contract, een joint venture met Gécamines, ligt onder vuur. Met name van de Lutundula-commissie, opgericht door het Congolese parlement om te onderzoeken hoe de bodemschatten werden geëxploiteerd in de roerige periode 1996-2003. Voorzitter Christophe Lutundula kwam tot de conclusie dat er me die contracten heel wat mis was, en deed de aanbeveling om de onderhandelingen over de Kamoto-joint venture voorlopig op te schorten.

Maar Arthur Ditto, Forrests Canadese zakenpartner in het Kamoto-project, zegt dat de joint venture juist positieve gevolgen zal hebben voor de Congolese samenleving. De nieuwe Congolese mijnwet, die in 2003 van kracht werd, bepaalt dat de winsten van alle mijnprojecten fors belast worden. Daarnaast ontvangt staatsbedrijf Gécamines, dat voor 25 procent in het project participeert, dividenden en royalties voor het ter beschikking stellen van de infrastructuur en mijnrechten. Die blijven immers eigendom van Gécamines. Geschat wordt dat er in een periode van twintig jaar 1 à 2 miljard dollar naar de Congolese samenleving zal vloeien als gevolg van het project. De nettocashflow die voor het aandeelhoudersrendement moet zorgen, wordt op 2 miljard geraamd.

Hoewel de Forrest-groep ter plaatse de operationele leiding zal hebben, participeert zijn groep in feite maar voor een beperkt deel in het project. ,,De grootste privé-investering sinds de onafhankelijkheid van Congo'' (aldus Forrest) was zelfs voor hem iets te omvangrijk. De Kamoto Copper Company is voor 25 procent eigendom van Gécamines en voor 75 procent van het beursgenoteerde Katanga Mining, waarin de Forrest-groep op zijn beurt weer voor ongeveer 25 procent participeert. Samen met het Canadese mijnbedrijf Kinross, dat al lange tijd zijn oog had laten vallen op de zeer rijke ertsgesteenten van Kamoto, kocht Forrest vorig jaar de in Toronto genoteerde beursschelp Balloch op. Onder de nieuwe naam Katanga Mining stapte dat bedrijf naar investeerders in New York en Londen. Aangelokt door de hoge koperprijs, de al aanwezige infrastructuur en de erg lage productiekosten droegen zij 152 miljoen Canadese dollar (135 miljoen Amerikaanse dollar) nieuw kapitaal aan. Genoeg om een begin te maken met de herwaardering van de mijn en de koperfabriek, en om binnen anderhalf jaar met de productie van start te gaan. Voor het eerste jaar wordt gemikt op 25.000 ton koper, binnen zes jaar tijd zou met 150.000 ton de maximumcapaciteit van de fabriek bereikt zijn. Daarnaast wordt tegen dan nog 5.000 ton kobalt geproduceerd.

Het businessplan voorziet in een break-even bij een koperprijs van ongeveer 80 dollarcent per pond. Bij een gemiddelde prijs van 1,10 dollar bedraagt het rendement ruim 20 procent. Momenteel bedraagt de koperprijs meer dan 3 dollar per pond.

Toch ziet het totale plaatje er minder rooskleurig uit dan die cijfers doen vermoeden. Er zijn nog twee belangrijke hordes te nemen. De eerste is de financiering. Voor de herwaardering van Kamoto is in een eerste fase 420 miljoen dollar nodig. In een tweede fase komt daar nog eens 231 miljoen dollar bij. De kapitaalronde van 135 miljoen dollar volstaat dus bij lange na niet. Ditto maakt zich sterk dat het geld zonder moeite gevonden kan worden naarmate de investeringen extra financiële middelen vergen. Het eigen vermogen kan als hefboom dienen voor bijkomende schuldfinanciering en project financing . Ook wordt er al gedacht aan een tweede notering voor Katanga Mining op de Alternative Investment Market (AIM) in Londen. Forrest kent daar de weg: een van zijn andere Katangese mijnprojecten, MMK, is gefinancierd via het AIM-genoteerde vehikel Copper Resources Corporation (CRC).

Sommige investeerders worden evenwel afgeschrikt door de tweede te nemen horde: de logistieke infrastructuur. Forrest heeft nu al behoorlijk wat moeite om het kobaltconcentraat uit zijn Luiswishi-mijn het land uit te krijgen. Het Antwerpse forwarding-bedrijf Polytra, met vestiging in Lubumbashi, tracht de kostbare lading via treinen en vrachtwagens naar de havens van Dar-Es-Salaam (Tanzania) en Richard's Bay (Zuid-Afrika) te krijgen. Maar de gebrekkige infrastructuur, de eindeloze bureaucratie aan de grensposten en het gebrek aan rollend materieel maken het er niet gemakkelijker op. Bovendien is het altijd bang afwachten of een lading die uit Katanga vertrekt, ook daadwerkelijk in de haven aankomt. Het gebeurt dat rovers het kobaltconcentraat door waardeloos zand vervangen.

De oplossing zou moeten komen van de Benguela-spoorweg naar de Angolese haven van Lobito. Die route is ruim duizend kilometer korter en overschrijdt maar één grens. Over het herstel van de in onbruik geraakte spoorweg wordt al jarenlang gepraat, maar met hulp van de Wereldbank is er nu daadwerkelijk een begin mee gemaakt. De volgende stap wordt het opwaarderen van de haven van Lobito, die momenteel veel te klein is en door ondiepe vaargeulen moeilijk toegankelijk is voor grote schepen.

De nu nog werkloze mijnwerkers van Kamoto liggen er allemaal niet wakker van. Voor hen telt maar één ding: vanaf 1 juli krijgen ze weer elke maand een loon. ,,Ik kijk er echt naar uit'', zegt Hilaire Ngoy Kabuya, die al veertien jaar in de mijn werkt en de toestand zienderogen heeft zien verslechteren. ,,We hopen dat de mijn met de komst van Forrest weer een betere toekomst tegemoet gaat.''