De economische groei is stilgevallen. Drie maanden lang slaagden we er niet in meer goederen en diensten te produceren dan het kwartaal voordien. Psychologisch komt het misschien hard aan, maar onverwacht kan je die drastische groeivertraging toch echt niet noemen.

DE consumenten leken aanvankelijk nog vrij optimistisch. Hun vertrouwen in de algemene economische evolutie verbeterde zelfs wat, hoewel de index die de Nationale Bank maandelijks berekent duidelijk in het rood bleef staan. Maar de componenten van de index gaven al tijdens de eerste maanden van het jaar aan dat niet alles koek en ei was. Vooral over het deel van hun inkomen dat ze maandelijks zouden kunnen sparen, maakten de consumenten zich steeds meer zorgen.

Bij de ondernemers was het vertrouwen al vrij vroeg zoek. De conjunctuurbarometer van de Nationale Bank zakte tijdens de eerste maanden van het jaar voortdurend verder in het rood. In april belandde hij zelfs op het laagste peil in 19 maanden.

De industrie deed het systematisch nog slechter dan de index zelf. Het vertrouwen in de toekomstige evolutie van de ondernemingsactiviteit belandde einde april zelfs op het laagste peil in 21 maanden.

Logisch, zegden conjunctuuranalisten toen al. De industrie is een veel grotere verbruiker van olieproducten dan de bouw of de handel, en dus wegen de prijsstijgingen er zwaarder door. Olie werd dit jaar alleen al 32 procent duurder. In combinatie met de koerswinst van de dollar zit daar dan ook de kern van het probleem.

Een vat ruwe olie kostte in 2003 gemiddeld 31 dollar. Vorig jaar is daar een derde bijgekomen en kostte een vat gemiddeld 41,5 dollar. Tijdens de eerste drie maanden van dit jaar steeg de prijs nog eens met ruim 20 procent tot gemiddeld 50 dollar.

Vorig jaar werd de prijsstijging nog voor een stukje gecompenseerd door de koersstijging van de euro tegenover de dollar. Begin 2004 moest voor die munt 0,8 euro betaald worden, eind december nog nauwelijks 0,73 euro. Voor Europeanen werd olie dus bijna 9 procent goedkoper dan voor de Amerikanen.

Maar begin dit jaar sloeg de evolutie om. Gisteren moest voor een dollar alweer 0,77 euro betaald worden. In de kering werd olie voor de Europeanen dit jaar dus niet 20, maar ruim 25 procent duurder.

Nog belangrijker misschien is dat niemand nog verwacht dat de tijd van 30 dollar en minder per vat terugkomt. De prijsstijgingen van het jongste anderhalf jaar zijn immers duidelijk structureel, tenzij iemand gelooft dat de economische groei in China en India de komende jaren zal stilvallen.

De groei lag afgelopen jaar in die landen op een verschroeiend hoog peil. China alleen al kocht van een aantal grondstoffen 20 procent van de wereldproductie op. Het resultaat was een zelden geziene stijging van de prijzen van steenkool, staal, aluminium en vooral olie.

De gevolgen van de hoge olieprijs mogen niet onderschat worden. Volgens de meeste economische modellen kost elke prijsstijging met 10 dollar 0,4 procentpunt groei in de industrielanden. Dertig jaar geleden, bij de eerste oliecrisis, was het effect nog veel groter. Toen produceerde de industrie gemiddeld zowat een derde van nu, terwijl ze nauwelijks 40 procent minder energie verbruikte.

Gelukkig hebben we sinds die autoloze zondagen onze les geleerd, maar dat belet niet dat het (afgezwakte) effect er nog steeds is. Sommige economisten zijn er zelfs van overtuigd dat het effect in het jaar na de prijsstijging nog groter is, en zij lijken nu gelijk te krijgen.

Het onmiddellijk effect van duurdere olie merkt iedereen aan de benzinepomp en bij het vullen van de stookolietank. Enkele maanden later blijken de elektriciteits- en de gasfactuur hoger uit te vallen dan verwacht, en daar houdt het niet op als de olieprijzen gedurende langere tijd hoog blijven.

Ook de industrie betaalt meer voor haar olie en gas en probeert die kosten door te schuiven naar de consument. Als de concurrentie groot is, zullen bedrijven een tijdlang proberen in te teren op hun winstmarge, maar lang houden ze dat niet vol zonder de investeringen en bijgevolg hun toekomstige concurrentiepositie in gevaar te brengen. Normaal zullen hogere olieprijzen leiden tot hogere prijzen voor auto's, koelkasten, computers, vakanties,

Einde vorig jaar verwachtten economisten al dat het groeivertragend effect van de olieprijsstijging nog de hele eerste helft van dit jaar zou doorwerken. Tijdens de tweede jaarhelft zagen ze toen veeleer een stimulerend effect uitgaan van de olieprijs, als die tenminste zou blijven dalen. Maar het omgekeerde is gebeurd en bovendien is de dollar duurder geworden.

Voor de modale consument betekent dat een fikse hap uit het gezinsbudget. Die hap moet elders gecompenseerd worden. Dus wordt de aankoop van een nieuwe wagen uitgesteld, wordt de oude computer door een minder blits model vervangen, gaan we wat minder op restaurant en schilderen we de dakgoten dit jaar maar zelf.

Op hun beurt merken de bedrijven en zelfstandigen die evolutie snel in hun omzet. Als die een tijdje aanhoudt, moet er gesaneerd worden en dreigen ontslagen. Daardoor beginnen de consumenten meer te sparen, want je weet maar nooit dat je je baan verliest.

In zo'n klimaat heeft het voor de meeste bedrijven minder zin om te investeren en zijn de consumenten minder geneigd om krediet op te nemen. Daardoor vermindert de vraag naar geld bij de banken en daalt de kostprijs ervan, de rente. Spaargeld brengt dus minder op en dus proberen de gezinnen maandelijks nog iets extra opzij te zetten om het eindresultaat van hun spaarinspanning ongewijzigd te houden.

Als die spiraal niet doorbroken raakt, worden steeds minder goederen en diensten geproduceerd en belandt de economie in een recessie. Gelet op de evolutie van de olieprijs en de dollar is dat voor de Europese economie zeker geen theoretisch gevaar. België is uiterst afhankelijk van de export naar de rest van de eurozone, en dus extra kwetsbaar. De kans dat het tweede kwartaal economisch opvallend beter zal presteren dan het eerste lijkt dan ook niet groot.

Luc Coppens is redacteur economie. Elke dag beantwoordt de redactie een actuele vraag.