Buitenlanders aanwerven, is goed voor economie
Een kwart van de Vlaamse kmo's heeft niet-Belgen in dienst. In de industrie ligt het aandeel boven de 30 procent.

DAT blijkt uit een studie van ING, die gisteren werd gepresenteerd op de kmo-beleidsdag van Unizo. De bank heeft vier vormen van internationalisering onderzocht bij de kmo-sector in Vlaanderen, Nederland en Polen, waaronder het aanwerven van buitenlandse arbeidskrachten. In Vlaanderen werden duizend bedrijven ondervraagd.

De studie ontkracht heel wat vooroordelen. Zo blijft het aandeel werknemers met een buitenlands paspoort ten opzichte van het totale personeelsbestand erg beperkt. In meer dan de helft van de bedrijven bedraagt het minder dan 5 procent. De meeste buitenlandse werknemers komen uit West-Europa. Daar moet wel aan woden toegevoegd dat allochtonen met een Belgisch paspoort niet als buitenlander worden beschouwd. De transport- en bouwsector kijken wel in toenemende mate naar Midden- en Oost-Europa als regio's die potentieel leverancier van arbeid kunnen worden.

De belangrijkste reden voor het aantrekken van buitenlandse werknemers is niet de kostprijs van de arbeid, maar de knowhow. Dit geldt zowel voor industrie, transport & logistiek, als bouw. De bouw noemt de lagere kostprijs iets vaker als reden dan de andere twee sectoren, maar ook voor deze sector is de knowhow het belangrijkste argument. In bijna een kwart van de gevallen worden de buitenlanders ingezet omdat er geen Belgen gevonden kunnen worden die hetzelfde werk kunnen of willen doen. Een aantal ondernemers vindt het werkethos van de buitenlandse werknemers beter dan van de Belgen. Bedrijfsleiders zijn over het algemeen tevreden over hun buitenlandse werknemers. Cultuurverschillen en overheidsregels zijn de belangrijkste belemmeringen voor een succesvolle samenwerking.

De effecten van het inhuren van buitenlandse werknemers op de Vlaamse economie zijn volgens de ING-studie positief. Er gaat geen werkgelegenheid verloren. Integendeel, de bedrijven bieden op deze manier juist het hoofd aan de krapte op de arbeidsmarkt. Bovendien verbetert de levensvatbaarheid van het Vlaamse bedrijfsleven. De kennisintensiteit verhoogt de opwaartse loondruk vermindert.

Opmerkelijk is dat de ondernemers zelf weinig bedrijfseconomisch belang hechten aan de buitenlandse werknemers. De meesten verwachten niet dat ze een belangrijke bijdrage zullen leveren aan omzet- en winstgroei. Dat geldt vooral voor bouwbedrijven.

Om kosten te besparen besteden de Vlaamse kmo's wel werk uit aan buitenlandse partnerbedrijven. Een kwart tot een derde doet dat. Opnieuw is het fenomeen in de industrie beter ingeburgerd dan in transport of bouw. Uitbesteding vindt vooral plaats in West-Europa, maar in de toekomst zal ook Midden- en Oost-Europa een belangrijke rol gaan spelen.

Een derde vorm van internationalisering, het openen van een buitenlandse vestiging, gebeurt vooral om nieuwe afzetmarkten aan te boren. Dat is belangrijker dan de goedkope arbeid. Kostenbesparing is dus niet de hoofdreden voor een buitenlands filiaal.

De vierde internationaliseringsvorm is samenwerking met een buitenlands partnerbedrijf. Die is populair bij bedrijven die op de thuismarkt met zware concurrentie kampen. In deze categorie heeft 34 procent een of meerdere buitenlandse partners.

(rmg)