Gezinnen waar beide echtgenoten werken, worden bevoordeeld tegenover huishoudens waar één van beide voor inkomen zorgt.

Dat er een diepe kloof gaapt tussen wat een werknemer zijn werkgever kost en wat hij uiteindelijk voor zijn arbeid op zijn bankrekening gestort krijgt, is geen verrassing. Volgens een recente studie de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (Oeso) werd het inkomen in 2002 nergens ter wereld zo zwaar belast als bij ons.

Na sociale zekerheidsbijdragen - zowel van de werkgever als de werknemers - en belastingen blijft er van een gemiddeld inkomen niet meer dan 44,9 procent over. In Nederland is dat bijvoorbeeld 57,5 procent en in het Verenigd Koninkrijk 70,5 procent.

Maar door die hoge belastingen treedt wel een flinke herverdeling op tussen hoge en lage inkomens, tussen gezinnen met weinig of veel kinderen en tussen gezinnen met één of twee arbeidsinkomens.

Zo wordt nergens in de wereld de inkomenskloof van de weinigverdieners zo sterk verkleind als bij ons ( zie tabel 1 ). Door de sociale zekerheidsbijdragen en de belastingen wordt de kloof van wie weinig verdient (67 procent van het gemiddelde brutoloon) met iemand die een gemiddeld inkomen heeft, verkleind met 11,86 procentpunt. Aan de andere kant zorgt het belastingsysteem er ook voor dat de grootverdieners ruim 12 procentpunt opschuiven naar het gemiddelde loon.

Het aandeel van de rijkste tien procent van de bevolking in het nationaal inkomen bedraagt 7,8 keer dat van de armste tien procent. De rijkste twintig procent haalt 4,5 keer zoveel naar zich toe als de armste twintig procent.

Een veelgebruikte maatstaf van de inkomensgelijkheid is de Gini-coëfficiënt, die op een schaal van nul tot honderd de afwijking van een volstrekt gelijke inkomensverdeling weergeeft. Nul betekent dat iedereen evenveel verdient; honderd dat één persoon alles verdient en de anderen niets.

In België stond de Gini-coëfficiënt in het midden van de jaren negentig op 27,2 procent, iets hoger dan midden de jaren tachtig. In de Verenigde Staten bedraagt die bijvoorbeeld 34,4 procent.

De Oeso heeft ook berekend in welke mate gezinnen zonder kinderen via de belastingen een bijdrage leveren aan gezinnen met kinderen. In ons land wordt de kloof tussen een gezin zonder kinderen met een gezin met twee jonge kinderen met ongeveer een zevende (13,46 procentpunt) verkleind ( zie tabel 2 ). Wat wel opvalt is dat alle landen meer inspanningen doen om de inkomenskloof te dichten voor alleenstaanden met kinderen dan gehuwde paren met kinderen. De Oeso komt ook tot de conclusie dat in de meeste belastingsystemen huishoudens waar beide echtgenoten werken bevoordeeld worden tegenover huishoudens waar één iemand voor het inkomen zorgt. In ons land bedraagt het voordeel twee tot vier procentpunt.

Zoals dikwijls met deze studies wordt de situatie van een aantal jaren geleden vergeleken. In 2002 was in ons land de belastinghervorming, met onder meer de vermindering van het aantal belastingtarieven, pas op gang getrokken.

(cv,jb)