Zonder ingrepen wordt vergrijzing onbetaalbaar
Theo Peeters, de voorzitter van de Studiecommissie voor de Vergrijzing. Foto: © photo news
BRUSSEL - De Studiecommissie voor de Vergrijzing raamt de budgettaire kostprijs van de vergrijzing in 2030 op 3,4 procent van het bruto binnenlands product, wat geen kleinigheid is. Dat is echter, zo waarschuwt de voorzitter Theo Peeters, in de veronderstelling dat een aantal ingrepen zal gebeuren en dat ombuigingen zullen optreden. Als die er niet komen, loopt de begrotingslast onmogelijk hoog op.

ALS bijvoorbeeld de kosten van de gezondheidszorg tot in 2030 met 4,5 procent per jaar zouden blijven stijgen, zoals voor deze legislatuur is vastgelegd, verdubbelt de budgettaire kostprijs van de vergrijzing tot 6,7 procent van het bbp.

Zoiets is uitgesloten, niet alleen omdat het onbetaalbaar is maar ook omdat het vereiste medische en verzorgingspersoneel niet zal worden gevonden. Het heeft geen zin extrapolaties te maken op basis van beleidsopties op korte termijn, aangezien dat tot absurde resultaten zou leiden. De bomen groeien nu eenmaal niet tot in de hemel. Maar ondertusen moet nog wel aan de noodzakelijke afremming worden begonnen.

De commissie baseert haar raming ook op de veronderstelling dat de activiteitsgraad, die vandaag amper 61,5 procent van de bevolking in de actieve leeftijd bedraagt, tegen 2030 zal worden opgevoerd tot 68,5 procent. Mocht hij ongewijzigd blijven, komen er bij de kostprijs van de vergrijzing nog eens 2,1 procentpunten bbp bij.

Voorts gaat ze ervan uit dat de structurele werkloosheidsgraad in ruime zin, die vandaag 14,3 procent van de beroepsbevolking bedraagt, zal halveren tot ongeveer 7,5 procent. Tweehonderdduizend bijkomende banen, de doelstelling van premier Verhofstadt, volstaan niet om dat te bereiken.

De centrale hypothese van de commissie is een gemiddelde productiviteitsstijging van 1,75 procent per jaar tot in 2030. In het licht van de ontwikkelingen van het verleden lijkt dat een voorzichtige veronderstelling. In de realiteit kan het meer zijn, maar het kan ook minder zijn. De productiviteitsstijging moet voldoende inkomens opleveren om de transfers naar de aanzwellende grijze bevolkingsgroep te betalen.

De wettelijke pensioenen zijn niet welvaartsvast, tenzij voor de ambtenaren. Er is bijgevolg een groeiende kloof tussen de levensstandaard van de actieven en die van de gepensioneerden uit de particuliere sector. Toen de productiviteitsstijging gemiddeld 2,25 procent per jaar bedroeg, werden de pensioenen in de regel met 0,5 procent per jaar verhoogd. Logischerwijze zal er dus bij een productiviteitsgroei met 1,75 procent per jaar geen ruimte meer zijn voor een verhoging. In werkelijkheid zal er misschien toch naar gestreefd worden om de laagste pensioenen lichtjes op te trekken.

De oprichting van het Zilverfonds hield de erkenning in dat het wettelijke pensioenstelsel niet uitsluitend op het repartitie-aspect kan blijven steunen, maar ook op vormen van kapitalisatie moet gaan berusten, zo zei professor Peeters in een uiteenzetting voor Ekonomika-Brussel.

In principe maakt het niets uit of men de schuld verder verlaagt, dan wel dat geld in een fonds stopt. Het fonds heeft volgens hem nochtans één belangrijk voordeel: de aanwending van de besparing die uit de daling van de schuld voortvloeit, is vastgelegd. Dit betekent echter ook, vanuit een geconsolideerde optiek, dat de schuld automatisch weer zal gaan stijgen zodra de reserves van het fonds worden aangesproken.

Er zit nu 9,5 miljard euro in het Zilverfonds. Verontrustend is dat dit allemaal eenmalige, niet-fiscale inkomsten zijn, zoals de meerwaarde op de goudvoorraad bij de overgang naar de euro en het overgenomen Belgacom-pensioenfonds. Er is nog geen euro afkomstig van de vereiste begrotingsoverschotten in gestopt.

In politieke kringen lijkt men ervan uit te gaan dat de verdere daling van de overheidsschuld zal volstaan om de budgettaire kosten van de vergrijzing op te vangen. België zit in de gezegende positie dat zijn overheidsschuld tot de hoogste ter wereld behoort, zodat er nog veel ruimte is voor verdere schuldverlaging. Daardoor kunnen de rentelasten dalen en komt budgettaire ruimte vrij voor het opvangen van de vergrijzingskosten. In 1995 bedroegen de rentelasten op de schuld nog 9,5 procent van het bbp; vandaag nog slechts 5,5 procent.

Als we dat verder kunnen verlagen tot ongeveer 2 procent, zijn de lasten van de vergrijzing meteen weggeveegd, zo wordt klaarblijkelijk geredeneerd. Het probleem is dat de overheidsschuld daartoe van de huidige honderd procent tot ver beneden de zestig procent van het bbp moet worden verlaagd, wat wel een heroïsche veronderstelling is. De positieve gevolgen van de voorbije rentedaling blijven ook niet duren. We blijven met andere woorden zeer kwetsbaar voor rentestijgingen.

De budgettaire gevolgen van de vergrijzing beginnen pas vanaf 2012 merkbaar te worden. De budgettaire ruimte ten gevolge van de dalende schuld en de dalende rentelasten genieten we al vandaag. De politici zullen blijk moeten geven van heldenmoed - die hen doorgaans niet wordt toegedicht - om tijdens de resterende jaren van dit decennium aan de verleiding te weerstaan de rentebesparingen uit te geven.