Italië sukkelt erger dan Duitsland
Foto: © BLOOMBERG NEWS
BRUSSEL - Het Italiaanse aandeel in de wereldhandel krimpt sinds het land zich tien jaar geleden de mogelijkheid ontzegde om nog te devalueren. Ook de stagnerende productiviteit wekt toenemende bezorgdheid. In sommige opzichten is het land er erger aan toe dan het krasselende Duitsland.

IN 1996 keerde Italië terug naar het Europese wisselkoersmechanisme (EMS), waar het drie jaar voordien was uitgekegeld toen de lire tijdens de laatste van de grote Europese muntcrisissen een depreciatie van veertig procent onderging. In 1999 behoorde het, tegen de verwachting van velen in, tot de elf stichtende leden van de economische en monetaire unie.

Dat Italië met zijn chaotische overheidsfinanciën en zijn hoge inflatie de nodige orthodoxie zou kunnen opbrengen om deel uit te maken van het euro-blok, werd ten zeerste betwijfeld. De Nederlandse minister van Financiën Zalm zei luidop wat anderen in stilte dachten: Italië was te ,,Zuid-Europees'', niet ernstig genoeg om van bij de start van de muntunie deel uit te maken; later kon men nog zien.

Maar de Europese politici verkozen uiteindelijk om met een maximale groep van start te gaan. Zelfs een staatsschuld die tweemaal zo hoog was als de limiet van het verdrag van Maastricht, zestig procent van het bruto binnenlands product, werd uiteindelijk geen onoverkomelijke hinderpaal bevonden, want België verkeerde in dezelfde situatie.

Het is nu duidelijk dat de sceptici geen ongelijk hebben gekregen. Toetreding tot wat ogenschijnlijk een club van deugdzamen zou zijn, volstond niet om zelf deugdzaam te worden. Italië lapt de verplichtingen die het op zich heeft genomen aan zijn laars. Zijn begrotingstekort overtreft al verscheidene jaren de toegestane 3 procent van het bbp.

Niet dat dit Italië speciaal wordt aangerekend, want het bevindt zich in goed gezelschap - zelfs van Duitsland, dat bij de aanloop naar de muntunie de zelfverklaarde waakhond was van orthodoxie en stabiliteit. De helft van de euro-landen heeft de Zuid-Europese nonchalance overgenomen.

Maar Italië wordt er zelf niet beter van. In de naoorlogse decennia mocht het dan al vele kwalen hebben, het wist zijn productie sneller op te voeren dan de meeste andere Europese landen en toonde zich creatief bij het aanbod van producten die op de internationale markten in trek waren. In de jaren zestig haalde zijn economie een gemiddelde groei van 6 procent. In 1987 werd gejuicht om ,, il sorpasso '': zijn bruto binnenlands product bleek in omvang dat van Groot-Brittannië te zijn voorbijgestoken, zij het voornamelijk dankzij een nieuwe raming van zijn zwarte economie.

Die euforie is nog slechts een verre herinnering. Het land zakt stelselmatig af in de Europese welvaarts-rangorde. In acht van de afgelopen negen jaren lag de economische groei onder het Europese gemiddelde; hij schommelt nu nog rond een miserabele anderhalf procent per jaar.

FACTOREN van stagnatie zijn volgens Pierluigi Ciocca, adjunct-directeur-generaal van de Italiaanse centrale bank, de zeer hoge overheidsschuld, de extreem zware erfenis van een lange periode van politieke en financiële onverantwoordelijkheid, de onbevredigende infrastructuur, de fragmentatie van de bedrijven en het gebrek aan concurrentie. China en India produceren nu de verbruiksgoederen die Italië aan de wereld placht te verkopen en importeren de investeringsgoederen die Italië niet aanbiedt.

Veel Italiaanse bedrijven zijn nog actief in sectoren die ze al lang moesten hebben verlaten. De uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling bedragen de helft van het Europese gemiddelde. Volgens het World Economic Forum presteert Italië op het vlak van de informatie- en communicatietechnologieën ronduit slecht: in de betrokken landenrangschikking is het van de 28ste naar de 45ste plaats getuimeld. De achteruitgang wordt verklaard door overmatige regulering, een relatief gebrekkige ICT-infrastructuur, tekortkomingen op onderwijsvlak en ontoereikende samenwerking tussen de industrie en de universiteiten.

Buitenlandse ondernemingen zijn er doorgaans niet op gebrand om in Italië vestigingen te openen. De stock aan buitenlandse ondernemingen vertegenwoordigt dan ook amper 12 procent van het bbp, een fractie van wat de overige Europese landen hebben binnengehaald. Alleen Griekenland scoort even laag. Het is ongetwijfeld geen toeval dat beide landen bekendstaan als de meest corrupte van de Europese Unie.

Niet dat Italië veel moeite doet om buitenlandse investeerders aan te trekken. Ze vormen een dreiging voor het incestueuze netwerk van banken, grote ondernemingen en families die via een complex systeem van kruisparticipaties en geheime overeenkomsten de controle blijven uitoefenen over een groot stuk van de economie. ABN Amro en BBVA, die de afgelopen dagen een steen in de kikkerpoel gooiden door een bod uit te brengen op respectievelijk de Banca Antonveneta en de Banca Nazionale del Lavoro, worden niet met open armen onthaald.

De moedige, of misschien roekeloze beslissing om zichzelf via toetreding tot de economische en monetaire unie muntstabiliteit en financiële discipline op te leggen, werd niet gevolgd door structurele hervormingen van voldoende omvang om de concurrentiekracht te versterken. Dat de inflatie doorgaans die van de concurrenten te boven ging, hielp al evenmin.

Volgens de centrale bank daalde de productiviteit in ruime zin tussen 2000 en 2004 met 1 procent per jaar. Allicht is dat voor een deel te danken aan de herintegratie van laaggeschoolden in de arbeidsmarkt, die de werkloosheidsgraad deed dalen tot iets beneden het Europese gemiddelde. Maar het aantal gepresteerde uren per werknemer bleef dalen, en de werkgelegenheidsgraad (56 procent) is de laagste van Europa.

De regering heeft een reeks maatregelen ter versterking van de concurrentiekracht ten uitvoer gelegd, met een budgettaire kostprijs van 4 miljard euro. Ze zouden voornamelijk tot fusies van kleine en middelgrote bedrijven moeten aanzetten. Premier Berlusconi houdt ondanks het te hoge begrotingstekort ook vast aan de belastingverlagingen die hij heeft toegezegd. Maar het pessimisme zit diep.