Na de inval van Israël in Libanon is de olieprijs naar een nieuw absoluut record gegaan.

De olieprijs is na de inval van Israël in Libanon voor het eerst in de geschiedenis boven de 76 dollar per vat (159 liter) gegaan. Meteen werden de records die nog maar dateerden van vorige week vrijdag verpulverd.

Zowel in de Verenigde Staten (maximaal 76,35 dollar) als in Londen (maximaal 76,23 dollar) werd nog nooit zoveel betaald voor een vat ruwe olie. De prijsstijging liep in de VS op tot 1,37 dollar of 1,8 procent. In Londen kwam er 1,84 dollar of 2,5 procent bij. Vergeleken met een jaar terug staat de olieprijs nu al 27 procent hoger.

De grote vrees van de oliemarkten is dat het geweld in het Midden-Oosten uit de hand loopt. Bijna 40 procent van het olieverbruik op onze aarde wordt gedekt door olieproducent uit deze regio.

Het gaat wel om recordcijfers in absolute prijzen. Als rekening gehouden wordt met de inflatie was olie aan het eind van de jaren zeventig nog iets duurder.

Analisten verwijzen voor de prijsstijgingen naar het conflict tussen Israël en Libanon en naar de aanhoudende spanningen rond het atoomprogramma van Iran. Gisteren werd dat nog maar eens beklemtoond. Iran, de op drie na grootste olieproducent ter wereld, riskeert economische sancties als het zijn nucleair onderzoek voortzet, waarschuwden de Amerikaanse president George W. Bush en de Duitse kanselier Angela Merkel.

Ook berichten in de Britse krant The Guardian dat oliepijpleidingen van Eni in Nigeria opnieuw aangevallen werden door rebellen, drijven de prijs de hoogte in. Eni ontkende het bericht, maar meteen was nog maar eens de schijnwerper gericht op het voortdurende geweld in het grootste Afrikaanse olieland.

De onzekerheid over de bevoorrading komt op een moment dat het reisseizoen in Europa en de VS volop aan de gang is.