De belangrijkste centrale banken van de wereld zijn erin geslaagd de mondiale economische groei nieuw leven in te blazen, voornamelijk dankzij een beleid van historisch lage rentevoeten. Maar net nu iedereen zich alweer had voorbereid op een verstrakking van het monetaire beleid, komen de dure olie en tegenvallende werkgelegenheidscijfers in de VS roet in het eten gooien.

ZOALS verwacht heeft de Federal Reserve (Fed), de Amerikaanse centrale bank, gisteravond voor de tweede keer in twee maanden haar richtinggevende rentevoet verhoogd. Aangezien zo'n renteverhoging meteen doorsijpelt naar de rentetarieven die de commerciële banken hanteren, is dat vervelend nieuws, zowel voor de Amerikaanse consument die op krediet koopt als voor de bedrijven, die door die monetaire verstrakking hun investeringskosten zien toenemen.

Toch mogen we vandaag al bij al nog blij zijn dat de Fed de rente verhoogt en niet verlaagt. Het is het beste bewijs dat de centrale bank erin geslaagd is de economische crisis een halt toe te roepen. De Fed heeft vermeden dat de VS afgleden naar een toestand van deflatie en permanente depressie, waartegen zelfs ultralage rentetarieven niet meer opgewassen zijn. Wereldwijd stevenen we dit jaar af op een gemiddelde economische groei van ruim 4,6 procent, mogelijk zelfs op het hoogste groeicijfer sinds eind jaren tachtig.

Nu ook de Amerikaanse economie weer aantrekt, heeft de Fed dus een punt gezet achter de dalende rentecyclus die ze begin 2001 zelf in gang had gezet. Op 30 juni van dit jaar had ze al een eerste keer het basisrentetarief verhoogd. Ook in Europa, waar het economische herstel traditiegetrouw met enkele maanden vertraging komt, wordt de komende maanden - al kan het ook volgend jaar zijn - een eerste renteverhoging door de Europese Centrale Bank (ECB) verwacht. Die monetaire verstrakking moet voorkomen dat de economie te sterk onder stoom komt, want dat kan vervelende nevenverschijnselen veroorzaken, zoals aanbodtekorten, inflatie en het risico op een crash-scenario.

Maar de voorbije dagen en weken werd dat evenwichtige scenario doorkruist door enkele onvoorziene factoren die de taak van de centrale bankiers aanzienlijk bemoeilijken. Om te beginnen is er de olieprijs, die in de VS op het punt staat om boven de 45 dollar te breken. Dat is een historisch hoogterecord, iets waarmee geen enkele econoom rekening had gehouden. Daarnaast lijkt het economische herstel in de VS - dat op zich een onmiskenbaar gegeven is - aan kracht in te boeten. De economische statistieken voor de maand juni waren al wat zwakker dan verwacht en afgelopen vrijdag raakte bekend dat er in juli zeven tot acht keer minder nieuwe banen zijn gecreëerd dan de markt verwachtte.

Is het in die omstandigheden nog wel opportuun om als centrale bank de rente te verhogen? Het antwoord op die vraag is niet eenduidig. Aan de ene kant lijkt het onverantwoord om de economische groei af te remmen op een ogenblik dat de dure olie op zichzelf al een afkoelend effect heeft. Volgens berekeningen van de Bank voor Internationale Betalingen (BIS) leidt een olieprijsstijging met 10 dollar per vat in de volgende 12 maanden tot een daling van de economische groei in de ontwikkelde landen met 0,4 procentpunt per jaar. Het wordt nog wat delicater als je merkt dat ook de Amerikaanse arbeidsmarkt het laat afweten. Want zonder extra banen kun je van de consumptie in de VS maar beter weinig economische impulsen verwachten.

Aan de andere kant is het ook gevaarlijk om te lang de kat uit de boom te kijken en de rentevoeten op hun huidige, lage peil te laten. Als er te veel en te lang goedkoop geld in het financiële systeem wordt gepompt, in combinatie met een aantrekkende economie, leidt dat bijna onvermijdelijk tot het ontstaan van overconsumptie, overinvesteringen en financiële zeepbellen. En als die luchtbellen uiteenspatten, is de economische schade veel groter dan de schade die je probeerde te voorkomen.

Een mooi voorbeeld daarvan zagen we de voorbije jaren: om te vermijden dat de uiteenspattende zeepbel op de beurs tot een brede economische crisis zou leiden, verlaagden de belangrijkste centrale banken hun rentevoeten. Maar op die manier pompten ze goedkope liquiditeiten in het bancair systeem die op andere markten weer tot speculatie en vervelende prijsstijgingen leidden. De voorbije maanden zagen we dat al gebeuren met uiteenlopende grondstoffenprijzen - van goud tot koper en staal - en nu doet hetzelfde zich voor op de oliemarkt. De oorzaken die voor die prijsstijgingen worden aangehaald - zoals de economische revival in China en mogelijke aanbodtekorten - zijn maar de helft van het verhaal. De andere helft van het verhaal is dat van goedkoop geld dat wereldwijd op jacht is naar de hoogste rendementen (wat trouwens gedeeltelijk de sterke economische groei in China verklaart).

Als een centrale bank monetaire beslissingen neemt, heeft ze daarbij natuurlijk niet het mondiale belang voor ogen, maar alleen dat van de regio die ze vertegenwoordigt. Dat verklaart ook waarom de ECB voorlopig niet echt wakker ligt van de aanhoudende olieprijsstijgingen. Europa heeft relatief weinig last van de dure olie omdat de prijsstijgingen grotendeels gecompenseerd worden door de goedkope dollar. De vice-president van de ECB, Lucas Papademos, verklaarde afgelopen weekend nog dat de inflatie in de eurozone volgend jaar en in 2006 onder de twee procent zal uitkomen. Bovendien is de eurozone niet meer zo gevoelig voor olieschokken als tijdens de jaren zeventig. De Europese brandstofprijzen reageren niet zo hard op olieprijsstijgingen als in de VS, omdat ze voor een groot deel bestaan uit accijnzen. En er wordt veel zuiniger met energie omgesprongen dan dertig jaar geleden.

Wim De Preter is redacteur economie. Elke dag beantwoordt de redactie een actuele vraag.