Meer dan 150 miljard euro staat er in dit land op spaarboekjes. Dat is ruim de helft van de waarde van alle goederen en diensten die we met z'n allen op een jaar produceren, en meer dan een derde van alle bankdeposito's. Vanwaar die grote trouw aan de simpelste van alle beleggingen?

HET jaarverslag van de Belgische Vereniging van Banken is niet meteen een document waar de modale Belg van wakker ligt, laat staan dat hij wild wordt van de tabel ,,De Bankbedrijvigheid'' die we op pagina 51 van dat verslag vinden. Maar hij leert wel dat de situatie op het Belgische spaarfront ooit heel anders is geweest. Er blijkt zelfs al jaren een spannende race aan de gang tussen heel uiteenlopende spaarvormen.

Dik tien jaar geleden waren kasbons en obligaties de nummer één. Samen waren zij erin geslaagd om meer dan 96 miljard euro aan te trekken, toen net een fractie meer dan een derde van het totale spaarvolume in dit land. Het was toen een nek-aan-nekrace met de termijnrekeningen die net geen 96 miljard haalden. Voor beleggingen op vijf tot tien jaar kon je in die periode nog vlotweg acht procent bruto krijgen.

Met 48,5 miljard euro kwamen de spaarboekjes op de derde plaats. De gloriejaren, met tarieven van negen procent, waren toen al even voorbij. De rente was aan het dalen en iedereen probeerde het rendement op zijn spaargeld nog voor zo lang mogelijk vast te klikken. Het boekje was te onzeker geworden. Slechts één gespaarde euro op de zes had er nog belangstelling voor.

Een zichtrekening was toen helemaal te gek. Geld moest efficiënt beheerd worden en dus moest het direct opvraagbaar bedrag zo klein mogelijk worden gehouden. Nog geen twaalf procent van het spaarvolume stond toen op een zichtrekening.

Waar zat het spaargeld dan wel? Op de beurs uiteraard. Daar viel geld te rapen, met rendementen die al de overige spaar- en beleggingsproducten in de schaduw stelden. Wie er tijdens de tweede helft van het vorige decennium niet in slaagde zijn spaargeld te verdubbelen, en dus een gemiddeld jaarrendement te halen van meer dan twintig procent, was echt een kneusje.

Tien jaar later is de situatie totaal veranderd. Met dik 150 miljard euro is het geld op de spaarboekjes niet alleen dik verdrievoudigd, het vertegenwoordigt ook bijna 35 procent van alle spaargeld. Van een comeback gesproken.

Op de tweede plaats vinden we vreemd genoeg nog altijd de termijnrekeningen, met 114 miljard euro. De derde plaats is voor de zichtrekeningen die met 105 miljard euro goed zijn voor bijna een kwart van het totale spaargeld. Kasbons en obligatieleningen samen zijn teruggevallen tot 43 miljard euro, minder dan tien procent van het totaal. Direct opvraagbaar zijn, daar draait het nu allemaal om. Zichtrekeningen en spaarboekjes bieden dat. Samen zijn ze dan ook goed voor 55 procent van alle spaargeld.

Vanwaar het vernieuwde succes van een spaarproduct waar niemand nog echt in geloofde? Er zijn twee verklaringen, en ze hebben allebei te maken met de langgerekte krach op de aandelenmarkten. Waar nog de onzekerheid bovenop kwam van een aantal bekende namen die aan het bedrijvenfront in moeilijkheden kwamen, bij schandalen betrokken raakten of zelfs sneuvelden. Denk maar aan Parmalat, Enron, WorldCom, Ahold en zopas nog Volkswagen.

Een massa goede huisvaders trok geschrokken zijn handen af van de beurs en trok zich terug in het spaarboekje. Termijnrekeningen en kasbons brachten immers nauwelijks meer of zelfs minder op, en ze twijfelen nog steeds of aandelen wel iets voor kleine beleggers zijn.

Daarnaast heb je de meer ervaren belegger die de bluts met de buil neemt en in afwachting van betere tijden zijn geld zo beschikbaar mogelijk wil houden. Ook voor hem is het spaarboekje de ideale oplossing.

Op het eerste gezicht vreemd is echter dat de recente opleving van de beurs niet echt voor een ommekeer heeft gezorgd. Midden maart 2003 bereikten de meeste beursindexen hun dieptepunt. Sindsdien is de situatie op de aandelenmarkten fundamenteel veranderd. De koersen zijn in heel wat sectoren verdubbeld, de helft erbij is bijna een minimum, afhankelijk van de sector uiteraard.

Toch bleven de bedragen op de spaarboekjes aangroeien. Dat heeft enerzijds te maken met de aanhoudende schrik van de gewone belegger voor de beurs, en anderzijds met de voortdurend verder dalende rente.

De kleine belegger keert allicht pas terug naar de beurs als de rendementen zo spectaculair oplopen dat de kentering nabij is. Obligaties en andere vastrentende beleggingen zijn een alternatief, maar wie zet zijn geld nu voor langere tijd vast als de rente elk ogenblik kan beginnen stijgen?

Meer dan twee jaar al houden de analisten ons voor dat de Europese rente elk ogenblik kan beginnen stijgen. Pas de jongste maanden werden ze voorzichtiger, bevreesd als ze zijn voor een serieuze groeivertraging in de eurozone.

Daar bovenop komt ook nog de Europese spaarrichtlijn die een dikke week geleden in werking is getreden en alle vastrentende waarden viseert die buiten het eigen land belegd werden. De praktische gevolgen ervan zijn nog steeds niet helemaal duidelijk, zelfs niet voor specialisten uit de sector.

Bovendien is er door die richtlijn bij de gewone belegger nogal wat verwarring ontstaan over het fiscaal statuut van obligaties die in eigen land worden aangehouden. Niet bepaald het moment dus om het oude vertrouwde spaarboekje vaarwel te zeggen, zelfs niet als het de inflatie niet meer kan bijbenen.

Luc Coppens is redacteur economie. Elke dag beantwoordt de redactie een actuele vraag.