Uitvinden kost geld
DINGEN uitvinden, het kan een behoorlijk dure zaak zijn. Uitvinders, of bedrijven die veel investeren in onderzoek en ontwikkeling, nemen dan ook een risico: als er op het einde van de rit geen product uit de bus komt dat een commerciële kaskraker wordt, zijn alle inspanningen voor niets geweest.

Een van de belangrijkste kostenposten voor uitvinders is het nemen van een octrooi op hun uitvinding. Zo'n octrooi verleent een soort eigendomsrecht over je uitvinding: wanneer je een octrooi hebt, ben jij de enige die aan je uitvinding geld mag verdienen. Als iemand anders je idee probeert te stelen, kun je die partij voor de rechtbank dagen en een schadevergoeding eisen.

Een van de problemen in Europa is dat elk land een eigen wetgeving rond octrooien heeft. Als een Belg zijn uitvinding in heel Europa wil laten beschermen, moet hij dus in elk land een aparte octrooiaanvraag doen. En dat kost hopen geld: 30.000 tot 60.000 euro, zegt de Europese Commissie, tegenover ,,slechts'' 10.000 euro in de Verenigde Staten.

De Europese Commissie speelt daarom al langer met het idee om een soort Europees ,,eenheidsoctrooi'' in te voeren. Maar dat loopt niet van een leien dakje. De lidstaten zijn het bijvoorbeeld niet eens over de vraag welke rechtbank bevoegd zou zijn als er conflicten rijzen over de geldigheid van een octrooi. Maar het belangrijkste struikelblok is de taal waarin zo'n Europees octrooi opgesteld moet worden. Heel wat lidstaten eisen dat zo'n document ook in hun eigen taal vertaald wordt, maar het resultaat daarvan zou een gigantische vertaalslag zijn, waardoor het nieuwe systeem nauwelijks goedkoper zou uitvallen.