Echt democratisch is het internet nog niet: informatie opsturen duurt veel langer dan ze eraf halen.

Wie zelf wel eens foto's of video's op een website plaatst, kent de frustratie: het duurt vaak eindeloos lang om je materiaal op te sturen (te uploaden ), terwijl je maar een fractie van de tijd nodig hebt om diezelfde media naar je computer te halen ( downloaden ).

Dat het internet twee snelheden heeft, zou je een erfenis van de beginjaren van het internet kunnen noemen. Toen ging iedereen er nog vanuit dat het web in de eerste plaats eenrichtingsverkeer zou genereren: van een paar grote informatieaanbieders naar de gebruikers.

Het hele ,,web 2.0''-fenomeen, waarbij elke gebruiker ook een actieve aanbieder van informatie wordt, gooit dat model overhoop. Maar de datasnelheden zijn nog altijd niet aangepast aan die ,,nieuwe wereld''.

Over uploadsnelheden wordt zelden gesproken in de reclamefolders van internetaanbieders, maar ze vormen een groeiende bron van frustratie. Vooral omdat de lage snelheden vaak gepaard gaan met een lage limiet op het totale datavolume dat je als klant mag uploaden. Bij Telenet kost een extra eenheid uploadvolume liefst vijf keer meer dan eenzelfde hoeveelheid downloadvolume.

Toch is het vergroten van de uploadcapaciteit niet voor alle internetbedrijven een prioriteit. De ,,zware'' uploaders maken immers nog altijd maar een kleine minderheid van hun klanten uit.

Bij de videowebsite YouTube bijvoorbeeld staan tegenover de meer dan 100 miljoen dagelijkse kijkers ,,slechts'' 70.000 leveranciers van videoclips.

(wdp)