Greenspan deed het weer eens
- DENNIS COOK



BRUSSEL Het minste dat je van Alan Greenspan kan zeggen, is dat hij niet met zijn gevoelens te koop loopt. Toen we hem midden juni 1987 interviewden, enkele dagen nadat zijn benoeming tot voorzitter van de Federal Reserve Board hem naar de top van het financiële establishment katapulteerde, kon er zelfs geen glimlachje af. Gortdroog is de man. En toch, toch moet hij nu, ergens heel diep in zichzelf, iets voelen dat lijkt op geluk.

BIJNA veertien jaar staat hij nu al aan het hoofd van de Amerikaanse centrale bank. Niemand die ooit gedacht had dat de opvolger van de legendarische Paul Volcker meer kon worden dan een overgangsfiguur. Maar als de centrale bankiers vandaag met een aureool van macht en bekwaamheid omgeven zijn, dan is dat in grote mate aan Greenspan te danken. Of misschien nog meer aan de combinatie van Volcker en Greenspan, in die volgorde.

Paul Volcker slaagde er door een extreem strak monetair beleid in de galopperende inflatie onder controle te krijgen en de teugels van de Amerikaanse en de Westerse economie opnieuw in handen te krijgen.

De Amerikanen financierden de uit de hand lopende oorlog in Vietnam al jaren door het simpelweg bijdrukken van dollarbiljetten, liever dan de belastingen te verhogen. Het evenwicht tussen de productie van de Amerikaanse economie en de koopkracht van de bevolking raakte daardoor volledig zoek. De markt was al jaren op zoek naar een nieuw evenwicht en liet daardoor de prijzen stijgen met meer dan 10 procent per jaar. Dat komt neer op een halvering van de koopkracht in zeven jaar tijd.

De bedrijven gingen bij bosjes failliet; andere wisten maar te overleven door drastisch te rationaliseren, af te slanken en zo weinig mogelijk werknemers in dienst te houden. De werkloosheid kende een explosie. De situatie werd onhoudbaar.

En toen kwam Volcker. Hij rantsoeneerde het geld door het geldvolume in omloop nog slechts mondjesmaat te laten toenemen. Ook elders stapte men meer en meer op zo'n beleid van krap geld over. De rente klom in de VS tot boven de 20 procent. Krediet werd onbetaalbaar, en dat was precies de bedoeling.

Acht jaar later was de situatie weer netjes onder controle. Waarmee kon Alan Greenspan zich nog onderscheiden? Was hij bovendien niet van 1974 tot 1977 de voorzitter geweest van de presidentiële raad van economische adviseurs? In de periode dat de Amerikaanse economie aan elke controle leek te ontsnappen?

In oktober 1987 kreeg Greenspan zijn vuurdoop. Wall Street incasseerde een klap die vergelijkbaar was met die van 1929. Dank zij het expansief monetair beleid van de Fed is iedereen dat intussen al vergeten en blijft er niet meer dan een voetnoot van over in het boek van de wereldgeschiedenis.

Daarna dreigde LTCM, het meest prestigieuze hefboomfonds op Wall Street, failliet te gaan. Nobelprijswinnaars economie - het fonds werd mee beheerd door Myron Scholes en Robert Merton - kunnen ook al eens te ver gaan, zo bleek. Maar Greenspan redde de situatie opnieuw. En zo ging het keer op keer.

Dat leverde in de jaren negentig een unieke combinatie op van duurzame groei, prijsstabiliteit en sterke werkgelegenheidsgroei in de Verenigde Staten. Maar de economie raakte oververhit, en meer nog de aandelenbeurs waarmee de Amerikanen hun consumptie financieren. Greenspan waarschuwde, verhoogde de rente, maar de markten wilden niet luisteren. In 2000 begon de ballon dan toch leeg te lopen.

Maar weer stond Greenspan klaar. Ruim drie jaar heeft zijn strijd geduurd. Een eenzame strijd soms, maar niet zonder duidelijke strategie. Nooit in de geschiedenis van de Verenigde Staten werd de rente zo snel en zo systematisch verlaagd om te vermijden dat de consumptie en de investeringen in elkaar zouden klappen en Noord-Amerika in een recessie storten.

Sinds een klein jaar kan Greenspan de resultaten van zijn beleid plukken. Tijdens het derde kwartaal werd zelfs een recordgroei van meer dan 8 procent op jaarbasis opgetekend. De laatste drie maanden van het jaar viel die groei weer terug tot minder dan de helft. Teleurstellend, oordeelden de verwende economisten. Alsof 4 procent op jaarbasis geen prestatie meer is.

Greenspan moet dus geen klein beetje trots geweest zijn, toen hij woensdagavond doodleuk tegen het Congres kon zeggen dat de Amerikaanse economie dit jaar waarschijnlijk een groei van 5 procent haalt, de beste prestatie in 20 jaar. Meer dan voldoende om op de arbeidsmarkt gelijke tred te houden met de demografische evolutie.

En dat is niet alles, belooft Greenspan. De vooruitzichten zijn goed. Dit tempo kunnen we een hele tijd aanhouden, zonder noemenswaardige druk op de prijzen. De Federal Reserve Board - zeg maar de centrale bank - zal in die omstandigheden niet erg gehaast zijn om de rente te verhogen, voegt Greenspan er onderkoeld aan toe.

Lage rente, sterke economische groei en een zwakke munt. Wat wil een centrale bankier nog meer? Gewoon het beste van twee werelden. Een zwakke munt is misschien niet erg glorieus, maar economisch wel handig. Wereldwijd wordt alles wat je produceert, om het even of het nu goederen of diensten zijn, een pak goedkoper.

Alleen de producten die je zelf invoert, kunnen voor miserie zorgen. Zij worden normaal duurder als je munt verzwakt en dat leidt op de duur tot inflatie. Maar daar is voorlopig geen sprake van, zegt Greenspan. En ook de politiek van extreem goedkoop geld - met een nominaal tarief van één procent past de Fed eigenlijk na inflatie een nultarief toe - heeft niet geleid tot inflatoire spanningen.

Integendeel zelfs. Bij Greenspan is elk woord van belang. Dat hebben analisten en economisten de afgelopen 17 jaar al wel geleerd. Einde januari had de Federal Reserve het nog over een ,,vrij lage'' inflatie. Woensdag sprak de voorzitter van een ,,erg lage'' inflatie.

Greenspan overhandigde de volksvertegenwoordigers bovendien een nota waaruit bleek dat de meerderheid van zijn 18 collega's in het bestuur van de Federal Reserve verwachten dat de inflatie de komende maanden nog verder zal afnemen.

Waarom? Onder meer omdat de productiviteit van de Amerikaanse economie er de jongste maanden met sprongen op vooruit is gegaan. Daardoor kan de snel toenemende vraag worden opgevangen zonder noemenswaardige aanwervingen. Dat is uiteraard ook meteen de minder fraaie kant van het herstel.

Want elke bijkomende baan betekent ook koopkracht, en koopkracht is in de Verenigde Staten synoniem met consumptie, dus met groei. Driekwart van het bruto binnenlands product wordt er geproduceerd om aan de behoeften van de binnenlandse consument te voldoen.

Maar ook daar maakt Greenspan niet ongerust over. Hij suggereerde dat de productiviteitsverbeteringen niet meer tegen hetzelfde tempo doorgaan als enkele maanden geleden ,,omdat het gros van de inefficiënties die tijdens de gouden jaren negentig werden opgestapeld, nu wel zijn weggewerkt''.

En zelfs als de productie niet meer kan volgen en aanwervingen nodig zijn, gaat dat volgens Greenspan steeds minder gepaard met prijsstijgingen. ,,De greep van producenten op de prijzen die ze hanteren, wordt steeds kleiner,'' stelt de voorzitter vast. ,,Ergens ter wereld is er altijd wel een producent die er in slaagt nog iets goedkoper te produceren. Veel topbedrijven zijn nog steeds blij als zij er simpelweg in slagen de vraag van hun klanten naar kortingen af te houden.''

Het afgelopen kwartaal lag de werkloosheid in de Verenigde Staten ergens tussen 5,25 en 5,5 procent van de actieve bevolking. Volgens Greenspan kan je van volledige tewerkstelling spreken als niet meer dan 4 procent van de bevolking zonder baan zit. Dat niveau werd begin 2001 voor het laatst bereikt, net voor de Amerikaanse groei stokte.

Uiteraard zal de volgende stap in de strategie van de Federal Reserve een verhoging van de rente zijn, geeft Greenspan toe. Maar niemand twijfelt er nog aan dat hij voldoende zin voor dosering aan de dag zal leggen en de Amerikanen opnieuw de weg zal wijzen naar stabiele en stevige groei.