Net zoals op hun vorige top in Dubai in september 2003, bevestigden de G7-landen tijdens hun ontmoeting van het voorbije weekend in Florida dat overdreven volatiliteit en ongeordende bewegingen van wisselkoersen die de fundamentele economische ontwikkeling van landen niet weerspiegelen, nefast zijn voor de groei van de wereldeconomie. Sinds de G7-meeting van Dubai deprecieerde de dollar met ruim 12 % tegenover de euro. Ook tegenover de Japanse yen verloor de Amerikaanse munt sindsdien terrein, maar in mindere mate dan tegenover de euro (nl. ongeveer 8 %) doordat de Japanse centrale bank via interventies de appreciatie van de eigen munt afremde.

Tegenover de munten van andere Aziatische landen, zoals China, Taiwan en Zuid-Korea, bleef de dollar daarentegen nagenoeg stabiel. De centrale banken van deze landen kochten de jongste maanden op grote schaal Amerikaanse overheidsobligaties aan. Op die manier stapelden ze massaal dollarreserves op, vermeden ze een appreciatie van hun munten tegenover de dollar en maakten ze het tegelijk mogelijk dat de Amerikaanse obligatierente op een zeer laag peil bleef, ondanks de oplopende begrotings- en betalingsbalanstekorten van de Verenigde Staten.

Tegen deze achtergrond benadrukten de G7-landen in hun verklaring van het voorbije weekend de wenselijkheid van een grotere flexibiliteit van de wisselkoersen van landen of economische regio's waar deze flexibiliteit de voorbije maanden precies ontbrak. Op die manier willen zij de druk verhogen op de Aziatische landen om het verloop van hun wisselkoersen voortaan meer aan de vrije marktwerking over te laten, en dus ruimte te scheppen voor een significante appreciatie van hun munten. Impliciet erkennen zij daarmee ook dat de landen van de eurozone tot dusver onevenredig veel de last hebben moeten dragen van de correctie van de dollarwisselkoers die nodig is om het toenemende externe tekort van de Amerikaanse economie in te dijken.

Anders dan de top van Dubai, had de jongste G7-meeting weinig direct effect op de wisselkoersverhoudingen tussen dollar, euro en yen. De dollar viel de voorbije week weliswaar terug tot iets meer dan 1, 28 tegenover de euro. Dat had echter minder te maken met de G7-verklaring dan wel met de uitspraken van de voorzitter van de Amerikaanse centrale bank, Alan Greenspan, die in zijn halfjaarlijkse speech voor het Amerikaanse Congres voor het eerst expliciet liet verstaan dat een aanpassing van de dollarwisselkoers kan bijdragen tot het wegwerken van het externe tekort van de Amerikaanse economie.

Ondertussen blijkt het met de gevreesde negatieve effecten van de dollardepreciatie op de Europese economieën nogal mee te vallen. Een zwakke dollar impliceert normaal dat de producten van exporteurs uit de dollarzone op de Europese markt goedkoper worden. De Europese producenten kunnen hierop reageren door hun marges te verlagen of hun kosten terug te dringen, maar dat kan uiteraard niet onbeperkt. Het gevolg is dat zij tegenover exporteurs uit de dollarzone marktaandeel dreigen te verliezen, zowel op de Europese markt als elders in de wereld.

Toch blijkt de industriële activiteit in de eurozone daar voorlopig weinig hinder van te ondervinden. De Europese ondernemers schatten hun buitenlandse afzetperspectieven integendeel nog steeds erg positief in. Voor een deel houdt dat verband met de aantrekkende handel binnen de eurozone, waar het effect van de dollarwisselkoers op hun concurrentiepositie uiteraard relatief minder speelt. Daarnaast blijkt dat de exporteurs van buiten Europa de depreciatie van de dollar tot dusver minder hebben benut om marktaandeel te veroveren dan wel om hun in dollar uitgedrukte winstmarges te verruimen. Dat uitte zich in minder scherpe prijsconcurrentie voor de Europese exporteurs dan enkel op grond van de dollardepreciatie kon worden verwacht. Tegelijk verklaart dat waarom deze depreciatie minder dan verwacht tot de afkoeling van de inflatie in de eurozone heeft bijgedragen. De consumptieprijsstijgingen in de eurozone blijven nu al geruime tijd hardnekkig in de buurt van 2 %, zij het dat hierbij ook tijdelijke effecten zoals hogere energie- en voedingsprijzen en hogere indirecte belastingen hierbij een rol hebben gespeeld.

Ook voor de winstmarges van de Europese exporteurs is de goedkopere dollar overigens niet uitsluitend een slechte zaak. De lage dollarkoers impliceert voor hen immers lagere, in euro uitgedrukte prijzen van grondstoffen en van andere ingevoerde inputs in het productieproces, wat het negatieve effect op hun marges als gevolg van de neerwaartse druk op hun outputprijzen verlicht. Het nog steeds vrij grote vertrouwen waarvan de Europese producenten blijk geven in de meeste recente conjunctuurenquêtes, suggereert dat een wisselkoersniveau van 1,25 tot 1,30 dollar per euro niet meteen het einde van het Europese conjunctuurherstel betekent.

Toch bedreigt de sterke euro stilaan wel degelijk de buitenlandse afzetperspectieven van de Europese exporteurs. Ondanks de forse internationale herleving lag de uitvoer naar landen buiten de eurozone in november in reële termen 3,5 % lager dan een jaar eerder. Wanneer een verdere wisselkoerscorrectie van de dollar zich in de komende maanden vooral ten aanzien van de Aziatische munten zou voltrekken, zou dat per saldo nog een bijkomende impuls geven aan de Europese conjunctuur. Het is echter niet zo waarschijnlijk dat deze landen snel bereid zullen gevonden worden om hun munten te laten appreciëren. Mede daardoor blijft ook het risico van een verder wegzakken van de dollar tot beduidend meer dan 1,30 per euro bestaan. In zo'n scenario wordt de bedreiging voor de Europese conjunctuur wel zeer reëel.

Op zaterdag legt de redactie een actueel thema voor aan een ,,denktank'' van financieel-economische specialisten. Deze week antwoordt Edwin De Boeck, gedelegeerd bestuurder van KBC Asset Management.