DE gemiddelde Belgische werknemer is onzeker. De vergrijzing en de globalisering ondermijnen het vertrouwen in de toekomst. Die onzekerheid is meer perceptie dan realiteit. De objectieve werkzekerheid van de Belgische werknemer behoort tot de hoogste in Europa.

Gemiddeld heeft een Belgische werknemer 11,6 jaar anciënniteit. Dat ligt boven het Oeso-gemiddelde van 10,8 jaar. Verrassender is dat dit gemiddelde de voorbije 10 jaar niet gedaald is. Integendeel, er is zelfs sprake van een stijging (van 11 naar 11,6 tussen 1992 en 2002). België vormt trouwens geen uitzondering binnen de Oeso.

In nagenoeg alle landen steeg de anciënniteit in de betrokken periode. Alleen Denemarken, Griekenland en Ierland kenden een daling.

Hoewel het vrij waarschijnlijk is dat de gepercipieerde werkzekerheid daalde, is de objectieve werkzekerheid gestegen. Hoe valt dat te verklaren? Zoals steeds kan een globaal gemiddelde onderliggende fenomenen verbergen.

Er zijn ontwikkelingen bezig die de anciënniteit zowel doen af- als toenemen. Blijkbaar werken de fenomenen die de anciënniteit doen toenemen zwaarder door dan degenen die ze doen afnemen.

Een belangrijk fenomeen is de stijging van het aandeel tijdelijke arbeidscontracten. Sinds het begin van de jaren negentig is tijdelijke arbeid in bijna alle Europese landen inderdaad gestegen. Gemiddeld werkt nu bijna 14% van alle werknemers in de Europese Unie met een tijdelijk arbeidscontract. Tien jaar geleden was dat zo'n 10%. België kende een stijging van 6% tot ongeveer 8%. Hoewel de stijging beperkt is, kan het invloed gehad hebben op de gemiddelde anciënniteit. De kans op ontslag is bij tijdelijke contracten immers groter.

Wat ongetwijfeld ook een invloed heeft op de gemiddelde anciënniteit is de groei van het aantal werkenden. In landen waar het aantal werkenden sterk toeneemt, trekken de nieuwkomers de gemiddelde anciënniteitsduur uiteraard naar beneden.. In bijna alle landen is het aantal werkenden toegenomen de voorbije 10 jaar, ook in België.

Toch zijn beide bewegingen blijkbaar niet voldoende geweest om het gemiddelde naar omlaag te halen. De verklaring ligt in de vergrijzing van de werkende bevolking. Hoe hoger het aandeel ouderen die aan het werk zijn, hoe hoger de gemiddelde anciënniteit. Dat werkt sterker door dan tijdelijke contracten en nieuwe instroom op de arbeidsmarkt. Als België weinig ouderen aan het werk heeft, dan wekt de hoge gemiddelde anciënniteit toch enige verbazing.

Hoe komt het dat in Denemarken de gemiddelde anciënniteit naar omlaag gaat als het tegelijkertijd een van de oudste werkzame bevolkingen heeft? Het antwoord is simpel. Denemarken is een van de weinige landen waar ook 50-plussers nog veranderen van werk. Uiteraard brengt dat een daling van de anciënniteit met zich mee.

Jan Denys is arbeidsmarktdeskundige bij Randstad.