Alternatieven voor het spaarboekje, waarbij geen beursrisico wordt genomen, zijn er op het eerste gezicht bij de vleet, maar zijn ze momenteel ook interessant? Zeker niet allemaal, zoveel is duidelijk.

Kasbons waren decennialang het houvast van de sparende huisvader. Solide, degelijk, eenvoudig ook. Maar de jongste jaren bieden ze een ronduit belachelijk rendement. Zelfs wie bereid is zich voor vijf jaar vast te zetten, moet vrede nemen met 2,85 procent. En daar moet dan nog eens 15 procent roerende voorheffing af. Er blijft met moeite 2,4 procent over.

Termijnrekeningen zijn in hetzelfde bedje ziek, en zelfs wie bereid is zijn geld voor tien jaar vast te zetten en er de nadelen van een achtergesteld certificaat bij te nemen, haalt hooguit 3,5 procent.

Obligaties dan? Vergeet het maar. Vier procent, in het beste geval. Of je moet vrede nemen met een onwaarschijnlijk lange looptijd, met de kans dat je lening vervroegd wordt terugbetaald of dat ze andere vervelende trekjes heeft. En dan nog kom je zeker niet verder dan 4,5 procent. Bruto uiteraard. Na aftrek van de voorheffing blijft dus iets tussen 3,3 en 3,8 procent over.

Waarom dan eens niet over het muurtje gekeken, naar de verzekeringsproducten? Bij voorkeur Tak 21, want die houden weinig of geen risico in. Jarenlang gingen ze gebukt onder het stigma van oubollige, totaal achterhaalde beleggingsproducten. Ze stonden voortdurend in de schaduw van hun meer flitsende broer, de Tak 23, die veel hogere rendementen haalde op de aandelenbeurs. Maar nu eisen ze opnieuw een plaatsje op onder de podiumspots. Tak 21 haalde tijdens de crisisjaren op de beurs rendementen waar Tak 23 alleen nog van kan dromen.

Wie dik vijf jaar geleden zijn spaarcenten toevertrouwde aan een Tak 21, heeft nu een derde meer geld in handen dan begin 2000. Daarmee doen ze nauwelijks minder goed dan de beste obligatiefondsen. De ondertekenaar van de toen zo populaire Tak 23 mag nu al heel blij zijn als die opnieuw het startkapitaal bevat. Hoe is dat mogelijk? En wat is een Tak 21 eigenlijk?

Voor velen onder ons klinken al die ,,Takken'' nog behoorlijk hermetisch. De benaming is ontsproten aan de koker van enkele Europese ambtenaren die de verzekeringsproducten in de Unie van uniforme benamingen moesten voorzien. In wezen is er niets hermetisch aan.

Een ,,Tak 21'' noemden we vroeger gewoon ,,levensverzekering''. Maar terwijl je destijds jaarlijks, driemaandelijks of maandelijks een bedrag moest overmaken om zo een verzekeringskapitaal op te bouwen, kun je tegenwoordig ook een eenmalige storting doen. Daarnaast bestaat er ook een Tak 23, een levensverzekering die gekoppeld is aan een beleggingsfonds.

De moderne Tak 21-producten leggen veel meer de nadruk op de voordelige fiscale aspecten dan op het levensverzekeringsaspect. Ze bieden bijna altijd een vast basisrendement (meestal 3,25%, soms 3%) met daarbovenop een bonus die afhankelijk is van het effectieve rendement dat de verzekeraar haalt op de onderliggende obligaties - soms zit er ook een beperkt percentage aandelen in de portefeuille.

Tak 21 was vroeger overduidelijk een contract. Je engageerde je om op vaste tijdstippen een bepaald bedrag te storten, en in ruil kreeg je op je 60ste het op die manier bijeengespaarde bedrag, met rente, terug. Als je eerder overleed, kregen je erfgenamen honderddertig procent van het bijeengespaarde bedrag uitgekeerd.

Al die elementen zitten nog altijd in de Tak 21, maar je moet je niet meer vastpinnen op periodieke premiestortingen.

Net als bij een spaarboekje zet je geld op je rekening of haal je het er af, nagenoeg naar believen. Veel Tak 21-producten zijn dus als het ware spaarboekjes geworden.

Goed renderende spaarboekjes dan wel. De jongste jaren lag hun rendement gemiddeld ruim dubbel zo hoog als op depositoboekjes en ook de vergelijking met obligatiefondsen kunnen ze vlot doorstaan. Als je tenminste geen plannen hebt om actief met je geld om te springen. Want een Tak 21 is in de praktijk een middellange-termijnbelegging.

Uiteraard zijn obligaties dat nog meer, maar verzekeraars willen het ook wel eens doen voorkomen alsof een Tak 21 even soepel is als een spaarboekje. En dat is toch niet echt het geval.

Weliswaar zijn ze, net als de spaarboekjes, vrijgesteld van roerende voorheffing, maar om daarvan te kunnen genieten, moeten de verzekeringnemer, de verzekerde en de begunstigde-bij-leven (wie krijgt het geld als de verzekeringnemer nog in leven is op de vervaldag van het contract?) één en dezelfde persoon zijn.

Daarnaast moet je meer dan acht jaar in de bons belegd blijven. Belangrijk daarbij is wel dat het om een contract moet gaan met zo'n looptijd. Drie keer na elkaar een Tak 21-contract afsluiten voor een periode van drie jaar, waardoor je in het totaal negen jaar belegd blijft in de Tak 21, geeft geen recht op belastingvrijstelling. Daarom worden veel contracten aangeboden voor acht jaar en een dag.

Als het contract een kortere looptijd heeft, moet het een overlijdensdekking bevatten van ten minste honderddertig procent van de gestorte bedragen. Anders vervalt de fiscale vrijstelling.

Vergeet daarbij niet dat de premie ten laste is van de klant en dat ze dus het rendement drukt. Hoe ouder je bent bij intekening, hoe hoger onvermijdelijk het risico op overlijden, en hoe zwaarder de premie weegt. Boven de 55 jaar loopt die bij sommige instellingen zo hoog op, dat het rendement zelfs in het beste geval al onder dat van een spaarboekje zakt.

Anderzijds is de fiscale vrijstelling bij Tak 21 niet geplafonneerd. Ook de renteopbrengsten boven 1.550 euro zijn vrij van belastingen.

En er is meer. Je kan ook bij een Tak 21 inderdaad vlot geld opnemen - onder de vorm van voorschotten - maar de kosten lopen dan al gauw op, zeker tijdens de eerste jaren. Bovendien zijn er vaak in- en/of uitstapkosten, soms ook een beheersvergoeding. Daarnaast kun je in de meeste gevallen maar geld aan een Tak 21 toevertrouwen als je over ten minste 2.500 euro beschikt. En dat ligt niet binnen ieders bereik.

Maar het loont de moeite om de contracten die de verzekeraars aanbieden met elkaar te vergelijken. De voorwaarden lopen vaak sterk uiteen, en bijgevolg is de ,,beste koop'' voor iedereen verschillend. Sommige fondsen werken niet met een minimumbedrag, andere rekenen geen instapkosten aan, nog andere rekenen voor het beheer geen extra kosten aan of werken met een forfaitair bedrag,

En dan is er ook nog de winstdeelname. Dat het percentage daarvan niet op voorhand bekend is, kun je de Tak 21 moeilijk aanwrijven. De bank kan ook op elk ogenblik de rente op haar depositoboekje aanpassen. Daartegenover staat overigens het minimumrendement dat de meeste verzekeraars voor de hele looptijd garanderen. Dat is meestal ruim het dubbele van de (niet gewaarborgde) basisrente op het spaarboekje.

Op het eerste gezicht dreigt de winstdeelname of bonus het komende jaar niet veel soeps te worden, want als de rente begint te stijgen, daalt de waarde van de obligaties die de verzekeraars nu in portefeuille hebben. ,,Toch niet'', klinkt het in kringen van de beheerders van die fondsen. Tak 21 moet het hebben van de coupons die worden uitgekeerd, en als de rente begint te stijgen, worden leningen die op eindvervaldag komen automatisch vervangen door nieuwe waarop een hogere coupon betaald wordt.

Het rendement van Tak 21 wordt dus vooral bedreigd door een aanhoudende periode van lage rente, want dan slinkt het aantal oude obligaties die nog hoge coupons uitkeren systematisch ten voordele van nieuwe met een lagere coupon.

Als je alles op een rijtje zet, biedt Tak 21 voor veel beleggers een beetje het beste van twee werelden. Daalt de rente nog verder, dan heb je bij de meeste contracten toch nog minimaal de gegarandeerde rente, en stijgt ze, dan gaat de bonus de hoogte in. In beide gevallen doet de Tak 21 beter dan het spaarboekje.



(lc)