Hoeveel fiscale controles monden niet uit in geschillen over de aftrekbaarheid van bepaalde beroepskosten ? Een recent arrest van het hof van beroep van Gent (10 april 2004, besproken in Fiscale Koerier nr. 12) maakt een deel van deze discussies zinloos. Indien de genieter van een vrijgevigheid daar zelf op belast is, wordt het bedrag ervan geweerd uit de belastbare grondslag van diegene die de betaling gedaan heeft. Een originele combinatie van twee wetsartikelen, die ongetwijfeld nog aan het Hof van Cassatie zal worden voorgelegd.

De regels in verband met de aftrek van beroepskosten zijn te vinden in de artikelen 49 en volgende van het wetboek van de inkomstenbelastingen. Zij vereisen, onder meer, dat de desbetreffende kosten worden gedaan om belastbare beroepsinkomsten te behouden of te verwerven en dat de realiteit en het bedrag ervan door de belastingplichtige bewezen moeten worden.

Als een ondernemer erelonen betaalt, dan moet hij dus niet alleen het bedrag en de betaling ervan bewijzen, maar ook dat die erelonen een band hebben met zijn beroepsactiviteit. Een ondernemer die, bijvoorbeeld, een advocaat inhuurt voor een burengeschil, zal de betaalde erelonen kunnen aftrekken als het gaat om een ruzie met de buur van zijn bedrijf, maar niet als het gaat om de buur van zijn privé-woning.

Zo betaalde een vennootschap honoraria aan een adviseur voor technische adviezen bij de herstructurering van haar filialen. Op het eerste gezicht duidelijke beroepskosten. De fiscus aanvaardde de aftrek niet. De consultant was immers actief in een andere bedrijfssector dan de desbetreffende vennootschap. Bovendien was hij familie van de zaakvoerder van het bedrijf dat de erelonen betaald had. Ten slotte konden ook de geleverde prestaties niet bewezen worden.

Uiteindelijk kwam de zaak voor het hof van beroep in Gent. Het hof aanvaardt de argumentatie van de fiscus en stelt dat de uitgave niet als beroepskosten aftrekbaar zijn. Het gaat om een ,,goedgunstig voordeel'' of liberaliteit.

Daarmee was de kous echter niet af. De belastingplichtige had immers in ondergeschikte orde een argumentatie ontwikkeld op basis van een ander wetsartikel, namelijk artikel 26 van het wetboek van de inkomstenbelastingen. Dat artikel bepaalt dat een onderneming belastbaar is op door haar aan een derde toegestane abnormale en goedgunstige voordelen, tenzij die derde op de ontvangen voordelen belast is (of beter: dat die voordelen in aanmerking komen bij het bepalen van zijn belastbaar inkomen).

Wanneer het betaalde ereloon wordt aangemerkt als een goedgunstig voordeel, dat niet bij beroepskosten aftrekbaar is, dan moet het bedrag ervan, volgens de belastingplichtige, uit de belastbare grondslag geweerd worden wanneer de belastingplichtige kan aantonen dat de ontvanger van de betaling erop belast is. Dat bewijs kon hij in het bedoelde geval leveren.

Het hof gaat in op deze tweede redenering van de belastingplichtige. Het bedrag waarvan eerst de aftrek op grond van artikel 49 geweigerd werd, wordt opnieuw uit de belastbare grondslag geweerd op basis van artikel 26. Het gevolg is dat de belastingplichtige krijgt wat hij wilt en dat de aanslag vernietigd wordt.

Dit arrest heeft onvoorziene toepassingsmogelijkheden. Wat belet een ondernemer om aan zijn vrienden en kennissen een loon uit te betalen, alhoewel ze niet voor hem werken ? Het loon zal niet als beroepskosten aftrekbaar zijn, maar als de vrienden en kennissen er belastingen op betalen, zal de ondernemer het overeenstemmende bedrag wel in mindering mogen brengen als een toegestaan abnormaal of goedgunstig voordeel.

Bovendien ontstaat op deze manier een discriminatie tussen ondernemers, landbouwers en handelaars, waarvoor artikel 26 geldt, en mensen met een vrij beroep en andere genieters van baten, waarvoor dat artikel niet van toepassing is.

Het ziet er dan ook naar uit dat het laatste woord in deze problematiek nog niet gezegd is. Wij houden het voor u in de gaten.

Deze rubriek verschijnt wekelijks op donderdag. De auteur is advocaat bij Dumon, Sablon & Vanheeswijck.