De benutting van de arbeid in Europa neemt al dertig jaar af, mede onder invloed van een overheidsbeleid dat daarop aanstuurt. Die tendens omkeren, vormt de prioritaire opgave als we willen voorkomen dat onze welvaartspositie langzaam maar zeker achteruitgaat.

DE arbeidsbenutting wordt gemeten aan het aantal gewerkte uren per hoofd van de bevolking. Ze kan worden uitgesplitst in het aantal gewerkte uren per werknemer en in het aandeel van de tewerkgestelden in de totale bevolking.

Dertig jaar geleden lag het aantal gewerkte uren per werknemer in de Verenigde Staten en in de Europese Unie nog gelijk, maar daarna trad een divergentie op. Vandaag werkt men in Amerika gemiddeld 1.800 uur per jaar, tegen 1.550 in het eurogebied.

De lange werktijd in het Amerikaanse bedrijfsleven is volgens een gevleugelde uitdrukking ,,een regelrechte ramp waarin elke Amerikaan zijn rechtmatig aandeel wil''. De kortere arbeidsduur in Europa houdt onder meer verband met het kleinere aantal werkdagen per jaar en met het grotere aandeel van de deeltijdse arbeid.

Ook het aandeel van de tewerkgestelden in de totale bevolking ligt ver beneden dat in de Verenigde Staten. Dit weerspiegelt de drie procentpunten hogere werkloosheidsgraad en de acht procentpunten lagere participatiegraad, die vooral merkbaar is bij de vrouwelijke en de oudere werknemers.

Zowel de tewerkstellingsgraad als het aantal gewerkte uren per werknemer zouden omhoog moeten, zegt Michael Deppler, directeur van het Europees departement van het Internationaal Monetair Fonds (en de man die België destijds overtuigde om de frank aan de Duitse mark te koppelen). De lage arbeidsbenutting is volgens hem niet zozeer toe te schrijven aan de voorkeur van de Europese werknemers voor vrije tijd, maar aan een beleid dat het aantrekkelijker maakt om niet te werken.

Europa kan zich dat niet langer veroorloven, want ,,er is een massaal probleem van onbetaalbaarheid van de sociale verzekeringsstelsels op komst. Dit is in essentie een Europees probleem, en de bevolking moet dat ten volle beseffen.''

Hij pleit er dan ook voor dat in de Lissabon-agenda prioriteiten zouden worden ingebouwd. In dat programma om van Europa de slagvaardigste economie ter wereld te maken is nu alles prioritair, zodat er in werkelijkheid niets prioritair is. Helemaal bovenaan zouden hogere arbeidsbenutting en stimulansen om meer te werken moeten staan.

NA de eerste olieschok van 1973-74 bleef de arbeidsproductiviteit in West-Europa sterk toenemen, niet omdat de bedrijven sterk presteerden, maar omdat een spiraal van prijzen en lonen op gang was gekomen, die de minder productieve bedrijven en werknemers oncompetitief maakte en ongenadig uitsloot. De ogenschijnlijk sterke productiviteitsstijging werd aangegrepen om nieuwe eisen te stellen en de loonkosten nog meer op te drijven, wat de uitstoot verder aanwakkerde. Het was een productiviteitsprestatie van een soort die ons beter bespaard was gebleven.

Dat proces bleef nog een hele tijd doorgaan, wat de versnelde vervanging van arbeid door kapitaal in stand hield. Gezien de hoge werkloosheid beijverden de overheden zich om het aanbod van arbeid te beperken, zich de illusie aanpratend dat ze zodoende de ,,beschikbare arbeid'' over een groter aantal mensen uitsmeerden. Het is nu duidelijk - en het had altijd al duidelijk moeten zijn - dat dit een absurde redenering was. In een aantal landen werden stelsels van vervroegde pensionering ingevoerd. In Nederland was er de wet op de arbeidsongeschiktheid; Frankrijk voerde later de wet op de 35-urige werkweek in.

Maar de massawerkloosheid had ook tot gevolg dat de lonen geleidelijk trager begonnen te stijgen, wat in de jaren negentig voor een sterkere werkgelegenheidsgroei hielp zorgen. Werklozen en lager geschoolden werden in het arbeidsproces opgenomen, maar de keerzijde was een vertraging van de productiviteitsstijging. Desondanks viel de groei van het bruto binnenlands product in wat nu het eurogebied is nauwelijks lager uit dan in de jaren tachtig (2 tegen 2,2 procent per jaar). Anders uitgedrukt: Europa slaagde er slechts in om een hogere werkgelegenheidsgroei te behalen ten koste van een tragere productiviteitsstijging. Amerika daarentegen wist gaandeweg op beide vlakken sterke prestaties te combineren.

VAN het superioriteitsgevoel waarvan West-Europa een tijdlang tegenover de Verenigde Staten blijk gaf, valt nog weinig te merken. We zijn niet langer geneigd om hoog van de toren te blazen met het solidaire Europese model dat niemand aan zijn lot overlaat, de ongelijkheid beperkt en geen ,,working poor'' voortbrengt zoals in Amerika.

De Amerikaanse economie groeit al twintig jaar sneller, ook als men de correctie doorvoert voor de snellere bevolkingsgroei en naar de inkomensstijging per hoofd van de bevolking kijkt. Ze kan vrijwel iedereen die wil werken een baan bezorgen, op korte perioden van economische inzinking na. En volledige tewerkstelling zal wel het beste sociaal beleid zijn.

Dat wil niet zeggen dat men in een zwart-wit-beeldvorming moet vervallen. De Amerikaanse economie - en de Amerikaanse samenleving als geheel - heeft ongetwijfeld haar problemen. Een aantal Europese gemiddelden zouden er ook beter uitzien als ze niet omlaag werden gehaald door Duitsland, dat dertig procent van de economie van de eurozone vertegenwoordigt. Sommige lidstaten presteren op diverse vlakken even goed als Amerika, zo niet beter. Het is ook weinig bekend dat het eurogebied in de afgelopen zes jaar meer bijkomende werkgelegenheid tot stand heeft gebracht dan de Verenigde Staten (12 tegen 10 miljoen banen).

Het valt verder te betwijfelen of de welvaart in West-Europa een kwart lager is dan in Amerika, zoals uit de cijfers van het bruto binnenlands product per inwoner zou moeten blijken. Vrije tijd is ook een vorm van welvaart, ook al is die keuze in Europa niet geheel vrijwillig tot stand gekomen, zoals aangetoond wordt door het wijdverspreide zwartwerk.

Europa slaagt er ook ten minste even goed als Amerika in om de conjuncturele schommelingen van productie en werkgelegenheid te beperken. De algemene perceptie is anders, maar dat ligt aan de sinds geruime tijd optredende verzwakking van de economische groei in Europa. Velen schrijven die groeiverzwakking toe aan de soms al te genereus geachte sociale uitkeringen, die de stimulansen om te werken wegnemen en zowel de bedrijven als de werknemers afschermen tegen de discipline van de concurrentie. Dit zou hebben geleid tot een verregaande onderbenutting van het menselijk kapitaal, tot terughoudendheid bij de invoering van nieuwe technologieën en tot trage aanpassing aan de verschuivende bronnen van comparatief voordeel.

De realiteit is genuanceerder, onderstreept Michael Deppler. Europa heeft in de loop der jaren talrijke hervormingen doorgevoerd, en een aantal daarvan beginnen hun vruchten af te werpen. De arbeidsmarkt is flexibeler geworden en de loonmatiging heeft tot de creatie van werkgelegenheid bijgedragen. In Duitsland zijn de hervormingen het langst uitgebleven, en daar presteert de economie ook het zwakst.

De invoering van de euro betekende een belangrijke stap voorwaarts in de economische integratie: er trad een verdieping van de financiële markten op, de transactiekosten daalden en de concurrentie verscherpte. De Oeso stelt vast dat de conjunctuur binnen het eurogebied synchroner ging verlopen, dat de structurele werkloosheid afnam en dat aanzienlijke efficiëntiewinsten optraden.

Men kan niet weten hoe de zaken zouden zijn verlopen als de Eenheidsmarkt en de Muntunie er niet zouden zijn geweest, maar het zou best kunnen dat Europa het nog heel wat moeilijker had gekregen dan nu. Tenzij het continent opnieuw blijk zou geven van een neiging tot zelfdestructie, zoals in de eerste helft van de voorgaande eeuw, is er geen reden om aan te nemen dat het uiteindelijk niet tegen zijn problemen zou opgewassen zijn.