De Europese beurzen konden de dag nog licht positief afsluiten, maar over de grote plas doken de aandelenindices al snel in het rood.

Enkele uren na opening van Wall Street klom de prijs voor een vat olie weer richting 65 dollar: het hoogste niveau sinds begin oktober. Het vervelende is dat niet een verkrappende vraag/aanbod de oorzaak is achter de opstuwende prijs, maar dat er een aantal situaties zijn die dat mogelijk wel kunnen veroorzaken.

In de eerste plaats is er natuurlijk het conflict over het nucleaire programma van Iran. Met de provocerende taal die de president van Iran pas nog gebruikte aan het adres van Israël valt te vrezen dat als Iran niet inbindt, het Westen sancties of zelfs geweld zal gebruiken.

En dat terwijl Iran met een productie van vier miljoen vaten olie per dag een erg belangrijke producent is van het Opec-kartel. Alleen nog maar de vrees dat Iran verweer zou zoeken door het verminderen of zelfs stoppen van de leveringen aan het Westen, doet de prijs van het zwarte goud stijgen.

Dat soort dreiging is gefundenes Fressen voor speculanten. Een conflict zoals met Iran bouwt zich immers langzaam op en het ,,gevaar'' van een plotse oplossing voor het probleem is bijzonder klein.

Volgende week beraden een aantal belangrijke landen het Iraanse probleem in Londen. Ondertussen kunnen speculanten zonder veel risico posities opbouwen in olie via termijncontracten.

Dat ze daarmee misschien de verdere groei van de economie zwaar kunnen belasten, kan hun moeilijk verweten worden. Ten eerste kunnen ze tegenwerpen dat de dure olie alvast vorig jaar de economie nauwelijks heeft kunnen afremmen. Ten tweede zijn het vooral de politieke leiders die het groeiende wantrouwen hebben veroorzaakt. En ten derde hebben de westerse leiders nauwelijks iets gedaan aan onze energieverslaving. Integendeel: de westerse afhankelijkheid van externe energiebevoorrading kan bijzonder pijnlijk worden.