BRUSSEL Verschillen in productiviteit en in arbeidsaanbod bepalen volgens de klassieke economische leer de (individuele en regionale) verschillen in verloning tussen werknemers. In werkelijkheid worden de loonprofielen van de Belgische werknemers vooral bepaald door leeftijd, opleiding en bedrijfssector.

Dat blijkt uit een rapport door de economische studiedienst van ING Belgium over de loondifferentiatie in ons land. ,,Loondifferentiatie is de vertaling van de werking van het prijsmechanisme op de arbeidsmarkt. Lonen zullen sneller stijgen in sectoren en regio's waar het aanbod aan (geschikte) werkzoekenden schaars is'', aldus Ivan Van de Cloot van ING. Maar in de praktijk loopt het vaak anders.

De leeftijd van de werknemers is (wereldwijd) een van de belangrijkste factoren in de loonopbouw: de lonen stijgen naarmate de leeftijd oploopt. Die leeftijdsgebonden loonsverhogingen zijn volgens Van de Cloot ,,slechts gedeeltelijk gerechtvaardigd door een hogere productiviteit. Uiteraard kan die toenemen door meer ervaring en verantwoordelijkheid, maar allicht niet tot aan de pensioenleeftijd.''

Dure 55-plussers prijzen zichzelf uit de markt, vindt Van de Cloot, die daarvoor NIS-cijfers uit 1999 als bewijs aanhaalt.

Een 25-jarige verdiende in dat jaar gemiddeld een brutomaandloon van 1.856 euro. Voor een 55-jarige was dat 2.932 euro, of 58 procent meer.

Ook het genoten opleidingsniveau speelt een grote rol in de loonvorming. Iemand zonder diploma (secundair) onderwijs verdiende in 1999 gemiddeld 1.899 euro bruto per maand. Voor werknemers met een universitair diploma was dat 3.543 euro, of 86 procent meer.

Tussen de bedrijfssectoren zijn de loonverschillen alvast groter dan tussen de regio's. Onderaan komt de horeca, met een brutomaandloon van 1.572 euro; in de bouwnijverheid wordt dat 1.919 euro, in de industrie 2.205 en in de financiële instellingen 2.841 euro.

Volgens het ING-rapport worden die verschillen sinds de invoering van de nationale loonnorm kleiner. De loonnorm maakt dat de loonafspraken in de sector-cao's dichter bij elkaar liggen. Ook in tijden van laagconjunctuur worden de loonverschillen tussen de sectoren minder uitgesproken.

(jir)