STRAATSBURG - Na de commissie ,,Interne Markt'' heeft ook de commissie Sociale Zaken van het Europees parlement een alternatief voorgesteld voor de richtlijn over de vrijmaking van de dienstensector in de Unie, de zogenaamde ,,Bolkestein-richtlijn''. Ook dat laat weinig heel van het omstreden voorstel.

Het Belgische Europarlementslid Anne Van Lancker (SP.A) laat als verslaggeefster van de commissie Sociale Zaken van het parlement op haar beurt het cruciale ,,oorspronglandprincipe'' vallen. Dat oorspronglandprincipe is de hoeksteen van het voorstel-Bolkestein dat veel wrevel opwekte.

Het bepaalt dat dienstverleners op basis van de erkenningsvoorwaarden in eigen land (,,van oorsprong'') waar ook in de Unie diensten moeten kunnen aanbieden, van loodgieterij tot computerinstallatie.

Net zoals de Duitse Sociaal-democrate Evelyne Gebhart voor de commissie Interne Markt voorstelde, opteert Anne Van Lancker in de plaats daarvan voor ,,wederzijdse erkenning'': het land waar de dienst gepresteerd wordt, moet oordelen en controleren of een aantal minimale sociale normen gerespecteerd zijn.

Van Lancker benadrukte gisteren dat zij helemaal niet gekant is tegen de vrijmaking van de dienstensector, maar ze wil sociaal ordentelijke voorwaarden. Zo preciseert ze dat het afbouwen van obstakels nooit kan ingaan tegen de collectieve arbeidsovereenkomsten in de betrokken sector omdat die in sommige EU-landen een wettelijk karakter hebben. Ze gelden dus ook voor dienstverleners uit andere EU-landen.

Opvallend is ook dat ze de lidstaten zelf veel ruimte wil geven om te bepalen welke diensten ,,van algemeen belang'' zijn en welke niet. Die collectieve diensten blijven in elk geval uitgesloten van de richtlijn. De jurisprudentie van het Europees Hof en het toezicht van de Commissie moeten waarborgen dat de lidstaten daarin niet te ver gaan. ,,Computerinstallateurs kunnen nooit als diensten van algemeen belang beschouwd worden'', zei ze gisteren.

Het parlement gebruikt bij de behandeling van de richtlijn een besluitvormingsmethode waarbij de twee commissies elk op hun terrein een doorslaggevende stem hebben in het standpunt van het parlement. Tegen juli zou het standpunt van het parlement definitief vastliggen, waardoor de eerste bespreking in de voltallige vergadering van september of oktober mogelijk wordt.

(bb)