STRAATSBURG - Het Europees Parlement heeft gisteren enkele belangrijke wijzigingen voorgesteld in de Europese richtlijn over de maximale werktijd zoals de Commissie ze voorstelde. De strijd, die grote symbolische waarde heeft voor het referendum in Frankrijk inzake het ,,sociale Europa'', is daarmee nog niet gestreden.

IN het Europees Parlement werd er gisteren gestemd over een wijziging van de bestaande richtlijn van 1993 over de arbeidstijd. De mogelijkheid om de maximale werktijd van 48 uur niet toe te passen als de werknemers ermee instemmen (de zogenaamde ,,opt out'') was het gevoeligste punt. Daarnaast wil de Commissie de mogelijkheid openen om de referentieperiode om de gemiddelde arbeidstijd te berekenen, te verlengen tot 12 maanden indien de sociale partners akkoord zijn. Nu bedraagt ze vier maanden maximaal.

Derde discussiepunt: de ,,niet actieve aanwezigheidstijden'' die volgens de Commissie niet meer als arbeidstijd beschouwd moeten worden. Dat laatste slaat bijvoorbeeld op de tijd waarin een dokter of brandweerman ,,van wacht'' in de kliniek of kazerne aanwezig is, maar rust. Het Hof van Justitie in Luxemburg heeft recentelijk die wachttijd als (te vergoeden) arbeidstijd bestempeld. De Commissie stelde daarom een precisering voor waardoor de arbeidstijd beter gedefinieerd wordt zodat die ,,slapende werktijd'' niet noodzakelijk betaald moet worden.

De regeringen van de Unie zijn grondig verdeeld over de drie punten. De grote politieke fracties ook, zo bleek dinsdagavond nog tijdens de fractievergaderingen van zowel de christen-democratisch conservatieve EVP als de socialisten.

Toch heeft het parlement gisteren met vrij ruime meerderheid gekozen voor de voorstellen van de Spaanse socialist Alejandro Cercas, die de voorstellen van de Commissie aanscherpen in het voordeel van de werknemer.

Het Europees Parlement wil strengere sociale voorwaarden, zoals veiligheids- en gezondheidscontroles en collectieve overeenkomsten om de berekening van arbeidstijd op jaarbasis mogelijk te maken.

Voor het laten meetellen van ,,niet-actieve wachttijden'' in de berekening van de arbeidstijd geldt het principe dat ze arbeidstijd zijn, maar specifieke regels kunnen overeengekomen worden.

Maar over het belangrijkste punt, de ,,opt out'' of mogelijkheid om de maximale arbeidstijd van 48 uur te overschrijden, nam het parlement het radicaalste standpunt in. Commissaris Vladimir Spidla van Sociale Zaken liet ,,in naam van de Commissie'' verstaan dat hij het voorstel om de ,,opt out'' te behouden niet zou intrekken, wat het parlement ook zou beslissen.

Maar met een ruime meerderheid van 378 stemmen voor, 262 tegen en 15 onthoudingen stemde het Europees Parlement gistermiddag het voorstel van de ,,opt out'' toch weg. Het parlement wil dus geen afwijkingen meer van de maximale arbeidstijd van gemiddeld 48 uur per week, mits een overgangsperiode weliswaar van drie jaar na inwerkingtreding van de richtlijn.

De kwestie is daarmee niet rond. Op 3 juni bespreken de regeringen het voorstel opnieuw. Landen als Zweden, Frankrijk, België, Hongarije, Finland, Griekenland en Spanje staan aan de kant van het Europees Parlement.

De andere landen - Duitsland, Polen, Slovenië, de drie Baltische landen, Oostenrijk, Malta maar vooral het Verenigd Koninkrijk - willen de uitzonderingen behouden.

Als de Commissie geen nieuw voorstel doet, ondanks de stemming in het parlement, komt er een nieuw rondje Raad-Europees Parlement. In tweede lezing moet het parlement een volstrekte meerderheid halen om het voorstel te wijzigen.

Die was er gisteren. De kans is dus groot dat de discussie uitdraait op een finale onderhandeling tussen Raad en Europees Parlement. Zonder compromis verdwijnt het voorstel om de richtlijn te wijzigen.

Als de Commissie op basis van de grote meerderheid in het parlement toch een nieuw voorstel indient en de wijzigingen van het parlement overneemt, kunnen de regeringen dat alleen met unanimiteit wegstemmen.

Opmerkelijk: Mia De Vits (SP.A) onthield zich samen met de Vlaams Belangparlementsleden over de kwestie van de ,,opt out''. Er was wel een brief van de Belgische vakbonden die de overgangsperiode van drie jaar te lang vonden. Maar de richtlijn wordt maar effectief van kracht in een lidstaat als ze in ,,nationale'' wetgeving omgezet is. Dat duurt gemiddeld twee tot drie jaar ,,na inwerkingtreding van de richtlijn''.

In zekere zin is er dus helemaal geen overgangsperiode. Vermoedelijk wordt die overgangsperiode overigens het uiteindelijke punt in de onderhandelingen over een eventueel compromis met de regeringen, is er her en der te horen.