Overheid helpt bedrijven innoveren
Foto: © BELGA
DRIE procent. Dat is het magische cijfer dat politici in hun hoofd hebben als het over innovatie gaat. De landen van de Europese Unie hebben namelijk afgesproken dat ze tegen 2010 drie procent van hun bruto binnenlands product - dat is de som van alle goederen en diensten die een land in één jaar produceert - aan onderzoek en ontwikkeling willen besteden. Op die manier hoopt Europa uit te groeien tot een toonaangevende kenniseconomie. Het cijfer is niet helemaal willekeurig gekozen. Zowel in Japan als in de Verenigde Staten, twee landen die bekendstaan om hun innovatiegerichte economieën, schommelt dit percentage inderdaad rond de drie procent.

Maar Europa heeft nog een hele weg af te leggen. De 25 lidstaten van de Europese Unie kwamen in 2002 maar aan gemiddeld 1,94 procent. België en Vlaanderen zitten daar met ruim 2,1 procent een stukje boven, maar alleen Zweden en Finland voldoen ruimschoots aan de ,,drieprocentnorm''.

De Belgische bedrijfsleiders lopen in elk geval niet hoog op met ons land als een broeinest van innovatie. Dat leert een enquête die eind 2003 werd uitgevoerd door het Verbond van Belgische Ondernemingen (VBO) en de consultant Arthur D. Little. Liefst 45 procent van de ondervraagden vond dat ons land achterop hinkte als vestigingsplaats voor innovatieve activiteiten. Een goede helft zei dat het economische klimaat in ons land een remmende werking uitoefent op innovatie. En amper één op de vijf ondervraagden verwachtte dat België erop vooruit zou gaan.

Het zijn weliswaar cijfers die je met een korrel zout moet nemen, want in andere landen blijken bedrijfsleiders er vaak een even pessimistische visie op na te houden. De bedrijven klagen vooral over te hoge belastingen en te veel papierwerk en vergunningen. Kortom: de overheid moet ons wat meer ademruimte geven om creatief te zijn, zeggen ze.

Bedrijven die innoveren, worden daarvoor nochtans op verschillende manieren gesteund door de overheid. Maar zoals dat wel vaker gaat in ons landje, moeten ze daarvoor op heel wat verschillende deuren gaan kloppen. We vroegen daarover wat meer uitleg aan adjunct-directeur An Van De Vel van Agoria Vlaanderen, de federatie van de technologische bedrijven.

De belangrijkste maatregel op federaal niveau - het Belgische niveau, dus - is de gedeeltelijke vrijstelling van de bedrijfsvoorheffing voor onderzoeksprojecten in bedrijven. Het komt erop neer dat bedrijven die onderzoekers tewerkstellen, minder belastingen moeten betalen op het loon van die onderzoekers. De vrijstelling bedraagt vijftig procent als het gaat om projecten in samenwerking met universiteiten of kenniscentra. Sinds begin dit jaar is zo'n samenwerking niet meer vereist, maar in dat geval bedraagt de belastingvermindering slechts 25 procent. Het gaat om een belangrijke maatregel die ook goed is voor het imago van ons land bij buitenlandse investeerders en onderzoekers, zegt An Van De Vel. Toch zou Agoria graag zien dat de aftrek van vijfitg procent voor alle bedrijven zou gelden, en dat ze niet beperkt zou blijven tot onderzoekers met een ingenieursdiploma.

Ook de Vlaamse regering staat klaar om innoverende bedrijven te helpen. Ze doet dat onder meer door rechtstreekse subsidies toe te kennen aan geselecteerde onderzoeksprojecten. De instelling die dat allemaal coördineert, is het IWT, het Instituut voor de aanmoediging van innovatie door Wetenschap & Technologie in Vlaanderen. Ze heeft aparte steunprogramma's voor kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) en voor grote bedrijven.

Ook voor de Vlaamse regering heeft Agoria wat goede raad. ,,Bedrijven kunnen steun krijgen tot in de fase waarin ze een prototype ontwikkelen. Maar ook daarna moeten ze nog veel investeren om hun product op de markt te krijgen, bijvoorbeeld om klanten te werven of om te voldoen aan technische standaarden. Wij vinden dat ook die activiteiten gesteund zouden moeten worden'', zegt An Van De Vel. Ze wijst er ook op dat sommige middelgrote bedrijven, en Belgische filialen van buitenlandse ondernemingen, soms moeilijk worden bereikt met de huidige steunprogramma's.

Een nieuwe trend in het steunbeleid van de Vlaamse regering - maar ook in Wallonië - is het aanmoedigen van samenwerkingsverbanden rond innovatie. Dergelijke ,,competentiepolen'', zoals ze ook wel eens worden genoemd, zijn verenigingen van verschillende bedrijven en ,,kenniscentra'' (zoals universiteiten) die besloten hebben om rond een bepaald thema samen te werken. Een voorbeeld daarvan is Flamac, het Flanders Materials Centre , een centrum voor materialenonderzoek dat werd opgericht door drie grote bedrijven (Agfa, Umicore en Arcelor).

Ook Europa heeft heel wat miljarden euro's ter beschikking voor wetenschappelijk onderzoek. Dat geld wordt besteed via zogenaamde ,,kaderprogramma's'', waarin de wetenschappelijke prioriteiten voor een bepaalde periode worden vastgelegd. Die Europese subsidies vinden vooral hun weg naar consortia (samenwerkingsverbanden) van de heel grote Europese bedrijven.

An Van De Vel pleit ook voor een innovatief aanbestedingsbeleid door de overheid. Stel bijvoorbeeld dat een grote overheidsadministratie een bestelling wil plaatsen van airconditioningsystemen, omdat de temperatuur in de kantoren 's zomers te hoog oploopt. In plaats daarvan zou ze ook een oproep kunnen doen aan bedrijven om voor de dag te komen met een technologisch alternatief voor zo'n airco-systeem. Een zonwerende folie bijvoorbeeld, die de zonnestralen grotendeels buitenhoudt. Bedrijven worden door zo'n systeem aangemoedigd om op zoek te gaan naar innovatieve oplossingen, in de hoop dat ze een groot contract in de wacht zullen slepen.

Er zijn nog wel meer manieren waarop de overheid in ons land innovatie probeert aan te moedigen. Een van de opvallendste voorstellen is dat van een fonds om Vlaamse toponderzoekers in het buitenland terug naar hier te halen. Fientje Moerman, de Vlaamse minister van Wetenschapsbeleid, wil daarvoor geld ter beschikking stellen in een zogenaamd ,,Toppersfonds''.