Eerlijker globaliseren met fair trade
Foto: © An Nelissen
EEN van de manieren waarop in België geprobeerd wordt een antwoord te bieden op de negatieve effecten van de globalisering, is eerlijke handel of fair trade. Het fenomeen is ontstaan vanuit de vaststelling dat bij de productie van heel wat voedingsmiddelen de boer in de derde wereld een heel lage prijs voor zijn grondstoffen krijgt. Tussenhandelaars en bewerkers in het Westen verdienen er veel meer aan.

Eerlijke handel gaat uit van het principe dat de boer een minimale prijs krijgt voor zijn grondstoffen, waarmee hij in elk geval een menswaardig bestaan kan opbouwen. In veel gevallen zijn de boeren in kwestie georganiseerd in coöperatieven, zodat ze gezamenlijk hun marktpositie en leefomstandigheden kunnen verbeteren. Door de gegarandeerde minimumprijs zijn fair trade-producten meestal wat duurder. Door die meerprijs te betalen, kan de consument zelf bijdragen aan eerlijker handelsverhoudingen met de derde wereld.

Het belangrijkste eerlijkehandelsproduct is koffie. Doordat er in de wereld veel meer koffie wordt geproduceerd dan nodig, is de prijs van de ruwe koffiebonen gekelderd. Tot een paar jaar geleden kostte het telen van koffie meer dan het opbracht. Talloze boeren in landen als Mexico, Colombia of Brazilië werden daardoor in de armoede gedompeld. Eerlijke handel bood een antwoord op dat probleem: de minimumprijs dekte immers ruimschoots de productiekosten.

De bedenker van de eerlijke handel is de Nederlandse priester-arbeider-econoom Frans van der Hoff. Hij woont in Zuid-Mexico tussen de koffieplukkers. Van der Hoff werd er aan den lijve geconfronteerd met de uitbuiting van de Indiaanse koffieboeren door tussenhandelaars. Hij slaagde erin de boeren meer bewust te maken van hun positie en richtte met hen de coöperatie Uciri op. Op die manier werden tussenhandelaars uitgeschakeld en konden de boeren hun marktmacht optimaal te gelde maken. Toch zag Van der Hoff al snel in dat ook dat niet de fundamentele oplossing was. Het probleem, zo zegt hij, is niet zozeer de armoede in het Zuiden, maar de rijkdom in het Westen, waar vier grote koffiemultinationals het lot van miljoenen boeren kunnen bepalen. Samen met de ontwikkelingswerker Nico Roozen ontwikkelde Van der Hoff in 1989 het Max Havelaar-label, genoemd naar een romanpersonage uit een boek van de Nederlandse schrijver Multatuli.

Hoewel er veel aandacht aan wordt geschonken, is eerlijke handel niet op grote schaal doorgebroken. Het blijft een marginaal fenomeen. Zelfs de meeste succesvolle eerlijkehandelsproducten, koffie en bananen, hebben niet meer dan een paar procent marktaandeel. Wel groeit de omzet van de eerlijke handelsorganisaties jaar na jaar. Eerlijke handel is niet onomstreden. Een van de meest fundamentele kritiekpunten is dat het bieden van een minimumprijs marktontwrichtend werkt. Het zet boeren aan tot het blijven telen van koffie, terwijl het overaanbod eigenlijk een inkrimping van de productie noodzakelijk maakt. De fair trade-beweging verdedigt zich tegen die kritiek door erop te wijzen dat niet de fair trade koffieboeren verantwoordelijk zijn voor de overproductie. Bovendien zijn minimumnormen ook in andere sectoren heel normaal. In België schaffen we toch ook het minimumloon niet af omdat er teveel werklozen zijn?

Toch blijft bijvoorbeeld marktleider Douwe Egberts zich verzetten tegen fair trade . Wel heeft dit koffiebedrijf een eigen programma om de situatie van kleine boeren te verbeteren. In de koffiesector groeien naast het ,,officiële'' fair trade-label Max Havelaar steeds meer initiatieven die gericht zijn op het aanpakken van de koffiecrisis. Twee voorbeelden daarvan zijn Utz Kapeh en Collibri, het eerlijke-handel-label van Colruyt. Ook op het gebied van bananen zijn er alternatieven. Chiquita verkoopt zijn bananen tegenwoordig met het keurmerk van de Rainforest Alliance. Deze alternatieve labels garanderen echter geen van alle dat de boer een gegarandeerde minimumprijs krijgt, zoals Max Havelaar.

Max Havelaar is geen merk, maar een label. De fair trade-organisatie controleert bedrijven die eerlijke producten op de markt willen brengen. Ze gaan na of die producten inderdaad volgens de fair trade-normen tot stand zijn gekomen. In België bieden zo'n veertig merken producten aan die door Max Havelaar gecontroleerd worden. In 2004 was Max Havelaar goed voor 37.000 bananen en 340.000 kopjes koffie per dag.

Een van de grootste handelaars in fair trade-producten is Oxfam. Maar er zijn ook andere. De meeste grote koffiebranderijen in België hebben wel een eigen fair trade-koffie. Sommige supermarkten brengen fair trade-koffie op de markt onder hun eigen huismerk.

Vroeger waren de wereldwinkels van Oxfam het belangrijkste afzetkanaal voor de fair trade-producten. Maar daar is al een aantal jaar geleden verandering in gekomen. Ook in de rekken van supermarkten zijn nu volop producten uit de eerlijke handel te vinden. En in toenemende mate schakelen grote organisaties en bedrijven over op fair trade voor bijvoorbeeld hun koffieautomaten.

Het aantal producten dat een fair trade-keurmerk draagt, is de laatste jaren fenomenaal gegroeid. Er is nu ook chocolade, suiker, rijst, vruchtensap, thee en fruit te koop met het fair trade-label. En tegenwoordig zijn er ook non-food-producten die het label dragen, zoals rozen en sokken die van fair trade-katoen zijn gemaakt.

De oorspronkelijke principes van de eerlijke handel worden nu wel wat minder strikt toegepast dan aanvankelijk het geval was. Niet alle producten zijn nog afkomstig van kleine boeren. De aandacht is wat verschoven van het eerlijkeprijsprincipe naar correcte arbeidsomstandigheden. Veel fruit dat onder het fair trade-label wordt verkocht, is afkomstig van grote plantages. Wanneer de arbeiders een behoorlijk loon krijgen en in bovengemiddeld goede omstandigheden kunnen werken, kan zo'n plantage ook aanspraak maken op het label.