Belgen flirten elk jaar weer met hun fiscaal ongeluk
DE belastingadministratie is er traditiegetrouw ook dit jaar net niet in geslaagd alle aangifteformulieren voor de personenbelasting tijdig de deur uit te krijgen. Daarom heeft minister Didier Reynders van Financiën al even traditiegetrouw uitstel verleend voor het terugsturen ervan tot half juli. Die ,,uiterste'' datum blijft in princiep woensdag 19 juli, maar daarnaast zal de administratie van Financiën een automatische tolerantie toepassen tot 31 juli.

,,De verlenging ( tot 19 juli, nvdr. ) heeft niets te maken met vertragingen of andere problemen'', ontkende de woordvoerster van de minister nog voor het eerste formulier verzonden was. ,,De extra termijn dient om de mensen die hun documenten als laatste krijgen, iets meer tijd te geven dan de wettelijke termijn van vier weken.'' Een maand later klonk het al heel anders en werd schoorvoetend toegegeven dat de laatste bruine enveloppen pas in de eerste week van juni op hun bestemmeling zouden belanden.

Normaal moet de belastingaangifte uiterlijk op 30 juni ingediend zijn en de belastingplichtige moet wettelijk vier weken krijgen om zijn fiscale verplichtingen te voldoen. Maar de voorbije jaren werd die termijn praktisch nooit gehaald. Alleen in 2002 werd de gebruikelijke limietdatum gehandhaafd. Vorig jaar werd de termijn na heel wat publieke druk op de minister verlengd tot 31 augustus. Omdat de fiscus het formulier wou inscannen, werd het helemaal in een nieuw kleedje gestoken, waardoor het veel weg had van een Lottoformulier.

Dit jaar moesten de formulieren waarop we aangeven hoeveel we vorig jaar hebben verdiend, welke aftrekbare kosten we hebben gemaakt, hoe onze gezinstoestand is geëvolueerd en welke rekeningen we in het buitenland hadden, in princiep uiterlijk op woensdag 19 juli bij de belastingadministratie ingediend worden. Traditioneel moesten de formulieren tot nu toe op een vrijdag binnen zijn. ,,Met als resultaat'', zei minister Reynders, ,,dat alle Belgen wachten tot het daaropvolgende weekeinde - wat zeg ik - tot zondagavond enkele minuten voor middernacht of voor de durvers zelfs nog wat later. En dan puilen de brievenbussen van de kantoren uit, belanden enveloppen gewoon op straat of, erger nog, raken ze verloren. Dat willen we vermijden door voor een dag in het midden van de week te kiezen.''

Blijkbaar wist door dat systematische uitstel niemand nog goed wanneer het formulier nu eigenlijk binnen moest zijn. Uit een enquête van deze krant (DS 11 juli) bleek dat meer dan de helft van de Belgen er half juli geen idee van had wanneer de bruine enveloppe ingediend moest worden.

De fiscus mag dat indienen alleszins letterlijk nemen. In princiep moest de aangifte dit jaar op 19 juli bij de controleur zijn toegekomen. Wie zijn enveloppe die dag pas op de post deed, was dus te laat. Enkele dagen marge kunnen onaangename verrassingen met de priorzegels vermijden. Je kon de aangifte natuurlijk ook op de valreep nog zelf bij het kantoor van je controleur in de bus stoppen. Maar dan liefst tijdens de kantooruren. De administratie heeft het recht aangiften die nadien in de bus belanden, als te laat te beschouwen, hoewel ze dat in de praktijk zelden doet.

Wie discussie wil vermijden, moet zijn formulier aangetekend versturen - de jurisprudentie gaat ervan uit dat de aangifte dan is toegekomen op de eerstvolgende werkdag na de datum die vermeld is op de ontvangstbevestiging van De Post - of moet het formulier zelf gaan afgeven op het controlekantoor en een ontvangstbewijs vragen. Wie te laat begonnen is aan de zoektocht naar de juiste attesten en de T-fiche riskeert een boete die kan oplopen van 50 tot 1.250 euro of een belastingverhoging die kan oplopen tot 200 procent voor wie helemaal geen aangifte deed en bovendien niet aan zijn proefstuk toe is.

De controleur mag er bij laattijdigheid ook van uitgaan dat er geen aangifte is gedaan en dan word je ,,ambtshalve'' belast. Gevolg: de fiscus past de buitengewone aanslagtermijn toe en heeft vanaf 1 januari van het aanslagjaar niet één maar drie jaar de tijd om te beslissen hoeveel belasting je moet betalen. Als er fraude wordt bewezen kan de termijn zelfs tot vijf jaar worden verlengd.

Bovendien wordt de bewijstlast omgekeerd. De fiscus moet dus niet langer uitgaan van het vermoeden dat de aangifte correct is. De administratie bepaalt dan hoeveel belasting er verschuldigd is uitgaande van de belastbare inkomsten die zij ,,vermoedt'' op basis van echte gegevens waarover zij beschikt.

De belastingplichtige wordt door de fiscus per aangetekende brief op de hoogte gebracht van dat vermoede inkomen, van alle andere elementen waarop de ambtshalve aanslag zal steunen, en van de manier waarop die inkomsten en al die gegevens zijn vastgesteld. Als je het met die vermoedens van de fiscus niet eens bent, heb je een maand om te reageren.

Als de fiscus de voorgaande jaren al het bedrag van de aftrekbare kosten of zelfs het belastbaar inkomen zelf betwistte, is zo'n omgekeerde bewijstlast een ernstige zaak. Het is dan immers aan de belastingplichtige om te bewijzen dat de cijfers van de fiscus niet kloppen. In normale omstandigheden moet de administratie aantonen dat de belastingplichtige ten onrechte bepaalde kosten inbrengt of eigenlijk meer verdiend heeft dan hij aangeeft op het formulier.