Loon niet veel hoger dan uitkering
gsw
Een alleenstaande, werkloze moeder verdient nauwelijks 5 procent meer als ze haar werkloosheidsuitkering inruilt voor een voltijdse baan tegen het minimumloon. Met die kleine winst moet ze ook nog haar verplaatsingsonkosten betalen.

Die berekening over de zogenaamde ,,werkloosheidsval'' staat te lezen in een pas verschenen rapport van de Federale Overheidsdienst Arbeid over het Belgische werkgelegenheidsbeleid in de periode 2003-2005.

Met het begrip werkloosheidsval wordt verwezen naar de (vaak financiële) drempels die sommige groepen werklozen moeten overwinnen om opnieuw aan de slag te gaan. Concreet: het is voor sommige werklozen financieel gewoon niet interessant genoeg om naar een baan te zoeken.

In het overheidsrapport wordt onderzocht of ons land voldoende beleidsprikkels biedt om werken aantrekkelijk te maken. En dus om werklozen aan te moedigen om naar werk te zoeken en om werk te aanvaarden als het wordt aangeboden. Activering, heet dat.

De federale overheidsdienst toont aan dat het netto-inkomen van een eenoudergezin bij de overstap van werkloosheid naar een voltijdse baan met amper 5 procent omhoog gaat wanneer het gaat om een job tegen het minimumloon. Als het inkomen uit arbeid de helft hoger ligt dan het minimumloon, blijft de winst tegenover de vroegere uitkering beperkt tot 21 procent.

Voor een werkloos paar met één inkomen en kinderen bedraagt de inkomenswinst tussen de 14 en 33 procent. Met die extra opbrengst moeten vaak bijkomende kosten worden betaald, zoals kinderopvang en de verplaatsingen naar het werk. Als die allemaal verrekend worden, levert de nieuwe baan bijna geen winst op.

Volgens de FOD Arbeid is een inkomenstoename van minstens 15 en liefst 20 procent nodig om het uit werken gaan voldoende aantrekkingskracht te geven. De regering-Verhofstadt probeert hieraan tegemoet te komen met de invoering van een werkbonus (minder sociale lasten voor laagverdieners).

Het rapport toont ook in een totaal ander dossier aan dat werken in België niet altijd veel beter wordt beloond dan niet-werken. Zo blijkt het financiële verlies bij brugpensioen beperkt te blijven.

Dat geldt met name voor arbeiders die met brugpensioen gaan. Hun inkomen blijft behouden tot gemiddeld 85 tot 92 procent (naargelang de gezinssituatie) van hun vroegere netto-maandloon. Bij bedienden ligt dat vervangingspercentage lager, tussen 55 tot 62 procent, maar meestal gaat het om hogere bedragen dan bij arbeiders.