HET bestaat nog: een inkomen dat voor een deel belastbaar is en voor een deel niet. Dat besliste het Hof van Cassatie in een arrest van 30 november 2006. Het Hof verbrak een eerdere beslissing van het hof van beroep van Luik, dat meende dat een meerwaarde op aandelen integraal belastbaar is wanneer zij gerealiseerd wordt naar aanleiding van een verrichting buiten het normaal beheer van het privaat vermogen. Volgens het Hof van Cassatie is enkel het gedeelte dat het gevolg is van het abnormale karakter van de verrichting als divers inkomen belastbaar.

De belastingplichtige in kwestie was sinds 1984 aandeelhouder van een vennootschap die een min of meer belangrijk vermogen had opgebouwd. In 1996 verkoopt de vennootschap haar vaste activa aan een nieuwe vennootschap die door dezelfde aandeelhouders was opgericht. Daarna verkopen de aandeelhouders hun aandelen in de oude vennootschap via de tussenkomst van een financiële instelling aan een derde. Ze ontvangen hierbij een prijs in functie van de liquiditeiten die zich in de vennootschap bevinden. De latente fiscale schuld wordt slechts gedeeltelijk verrekend bij de bepaling van de prijs.

Alhoewel dit niet uitdrukkelijk in het arrest gezegd wordt, gaat het hier om de verkoop van een zogenaamde ,,kasgeldvennootschap''. Vermoedelijk heeft ook hier de overnemer van de vennootschap de kas leeggeroofd en de vennootschap ter ziele laten gaan zonder de verschuldigde belasting te betalen. Bijna even traditioneel heeft de fiscale administratie hiervoor de rekening gepresenteerd aan de verkoper van de aandelen door hem te belasten op de door hem gerealiseerde meerwaarde.

Deze meerwaarde werd door de administratie berekend als het verschil tussen de verkoopprijs van de aandelen (27,6 miljoen oude Belgische franken) en het oorspronkelijk door de aandeelhouder ingebrachte kapitaal (250.000 oude Belgische franken). Het is precies op dit punt dat het arrest van het hof van beroep van Luik, dat de taxatie bevestigde, wordt verbroken.

De belastingplichtige had immers voor het hof van beroep aangevoerd dat de intrinsieke waarde van de vennootschap al 24,4 miljoen oude Belgische franken bedroeg. Het is volgens hem dan ook niet mogelijk om de gehele meerwaarde te beschouwen als zijnde het gevolg van een abnormale verrichting.

Hierin wordt hij door het Hof van Cassatie gevolgd. Het Hof stelt letterlijk dat, bij een verkoop die de grenzen van het normaal beheer te buiten gaat, niet de gehele meerwaarde belastbaar is, maar enkel die winsten of baten die het gevolg zijn van de (abnormale) verrichting. In het besproken geval zou dus enkel het verschil tussen de verkoopprijs (27,6 miljoen) en de intrinsieke waarde van de vennootschap (24,4 miljoen) een belastbaar divers inkomen kunnen zijn.

Of dat verschil ook effectief belast wordt, is niet zeker. Er zijn immers ook rechtbanken die menen dat het niet abnormaal is dat de latente belastingen niet volledig verrekend worden in de verkoopprijs van de aandelen. Dat is met name het geval indien de koper de mogelijkheid heeft deze belasting te vermijden of uit te stellen door nieuwe investeringen te doen binnen de vennootschap (zie bijvoorbeeld Rb. Antwerpen, 29 september 2006).



Luc Vanheeswijck is advocaat bij Dumon, Sablon & Vanheeswijck.