BRUSSEL - We betalen nu meer voor onze stroom dan vóór de liberalisering, zo maakte Test-Aankoop deze week bekend. Tegelijk klagen gemeenten over lagere inkomsten. Aan wie betalen we die meerprijs dan eigenlijk?

VOLGENS Test-Aankoop is het gemiddelde gezin nu zo'n 50 euro meer kwijt aan elektriciteit dan een jaar geleden. Tegelijk hebben de gemeenten berekend dat ze zo'n 30 euro per Vlaming aan inkomsten derven door de liberalisering. Hoe kan dat?

Voor het antwoord op die vraag moeten we terug naar de situatie van vóór de liberalisering. Toen waren de gemeenten, via hun intercommunales, actief in de distributie én de verkoop van stroom. De vrijmaking betekende dat er concurrentie kwam op verkoopgebied. De intercommunales splitsten hun verkoopactiviteiten af van hun distributietak, omdat de concurrentie anders niet zuiver zou zijn. Hoewel ze wel een vinger in de pap bleven houden bij de verkoopactiviteiten, verminderden de opbrengsten ervan flink. Ze moeten er immers in een concurrentiële omgeving opboksen tegen andere grote stroombedrijven, die ieder vechten voor hun deel van de koek. De zuivere intercommunales bijvoorbeeld konden de opbrengst van de verkoop vroeger volledig op zak steken, maar moeten die nu delen met de Britse nutsonderneming Centrica, die de helft van Luminus bezit.

Om de gemeenten te compenseren is de omstreden Elia-heffing bedacht. Dat is een belasting op het transport van stroom. Maar zelfs als de heffing er komt - als het van minister Peeters afhangt, gebeurt dat niet - zal die de gemeenten nog maar gedeeltelijk compenseren. Een afdoende verklaring voor de verhoging van de stroomprijs is de Elia-heffing dus niet. We betalen immers meer, terwijl de gemeenten minder krijgen.

Voor het tweede deel van de verklaring moeten we kijken naar de distributieactiviteiten. Die zijn nog wel in handen van de intercommunales, maar daar valt steeds minder te verdienen. De intercommunales moeten immers in hun hoedanigheid van netbeheerder de ,,gratis'' elektriciteit leveren die de overheid elk Vlaams gezin toekent. Die stroom moet worden terugverdiend, en dat verklaart de verhoging van de distributietarieven. Een deel van de 50 euro die we nu meer betalen, dient dus om de ,,gratis'' stroom te betalen.

Voor het derde deel van de verklaring moeten we naar de federale overheid. Ook die steekt een flink deel van onze 50 euro meerkosten op zak. Op de Elia-heffing heft de federale overheid immers 20 procent btw. Behalve 170 miljoen euro voor de gemeenten, levert die heffing dus ook nog eens 34 miljoen euro aan federale middelen op. Maar dat is nog niet alles. Omdat stroom leveren sinds de liberalisering als een gewone economische activiteit wordt beschouwd, moeten de bedrijven in die sector vennootschapsbelasting betalen. De intercommunales die de stroom vóór de liberalisering verdeelden, waren als overheidsbedrijven vrijgesteld van die belasting. Geschat verschil: 40 tot 50 miljoen euro.

Maar nog zijn we er niet. Het vierde deel van het antwoord bestaat uit allerlei onverwachte prijsverhogende effecten van de liberalisering. Een vrijgemaakte markt moet bijvoorbeeld gecontroleerd worden. Daarvoor zijn in ons land vier controleorganismen in het leven geroepen. Vier voor elk gewest en een voor het land. Die organisaties werken uiteraard niet gratis. De gewestelijke organisaties worden betaald uit de begroting van hun eigen gewest, maar voor de nationale organisatie, de Creg, betalen we met zijn allen via de elektriciteitsfactuur. Daarbij gaat het toch al gauw om een paar miljoen euro.

Een ander onverwacht effect van de vrijmaking is dat de gemeenten zelf een veel grotere elektriciteitsfactuur moeten betalen. De stroom voor bijvoorbeeld de openbare verlichting wordt nu tegen marktconforme tarieven aangerekend door commerciële bedrijven. Vroeger leverden de gemeenten de stroom min of meer aan zichzelf, wat uiteraard een stuk goedkoper was.

Dat alles zou niet zo erg zijn, als het werd gecompenseerd door een sterke prijsverlaging voor de stroom zelf. Meer concurrentie betekent gewoonlijk een lagere prijs. Maar de tarieven kunnen nauwelijks zakken omdat aan de bron van de elektriciteit nog altijd één partij de dienst uitmaakt: Electrabel. Die heeft de meeste centrales in bezit. Echte concurrentie zal er pas komen als daar verandering in wordt gebracht. Volgens energiewatchers zou een gedwongen verkoop van een paar centrales de beste oplossing zijn. Zover wil de Belgische regering niet gaan. Maar de NMBS loskoppelen van Electrabel is al een stapje in de goede richting.