Bijna een Belg op de drie heeft meer dan 50.000 euro in zijn spaarpot, evenveel als zes maanden geleden. Maar de regionale kloof, die al jaren groeit, verruimde wel heel fors. Vlaanderen presteert nu al bijna twee keer zo goed als Wallonië.

MET 35 procent portefeuilles van 50.000 euro halen de Vlamingen het hoogste peil sinds GfK met zijn enquêtes begon. Het internationale onderzoeksbureau peilt twee keer per jaar, op vraag van The Wall Street Journal, naar het vermogen van Europeanen en Amerikanen en naar de samenstelling ervan. Het probeert ook hoogte te krijgen van hun spaarverwachtingen.

De Vlamingen klommen in een half jaar van 32 naar 35 procent, terwijl de Walen van iets minder dan een kwart naar nog 20 procent goed gevulde portefeuilles zakten. Zij werden voorbijgestoken door de Britten, die van 22 procent doorstootten naar 27 procent. Aan de andere kant van het spectrum vinden we Duitsland en Spanje met respectievelijk 5 en 6 procent gezinnen die een spaarpot hebben van 50.000 euro of meer. Verruimen we de horizon tot Centraal- en Oost-Europa, dan wordt de ,,armoede'' van de Duitsers en de Spanjaarden wel heel relatief, merkt general manager Mark Hofman van GfK Worldwide op. Hoewel de drempel voor de nieuwe lidstaten van de Europese Unie en Rusland verlaagd werd tot 25.000 euro, wordt hij gemiddeld maar door 3 procent van de bevolking gehaald. Toch is dat al de helft beter dan zes maanden geleden. Het contrast met de Verenigde Staten, waar 39 procent van de ondervraagden meer dan 50.000 dollar op zijn spaarrekening heeft, kon moeilijk groter zijn. De vergelijking moet wel gerelativeerd worden omdat 50.000 dollar maar overeenkomt met 37.500 euro.

De Belgen hebben hun positie bij de Europese top vooral te danken aan hun ijverig spaargedrag. Bijna een op de vier verwacht de volgende maanden meer te kunnen sparen. ,,Het hoogste percentage'', zegt Hofman, ,,sinds we in 1999 met de enquêtes begonnen.'' Zes maanden geleden dacht minder dan één Belg op de vijf dat hij meer zou gaan sparen. Maar ondanks die forse stijging ligt het percentage Belgen dat zichzelf ongeveer evenveel ziet opzijzetten (39 procent) of dat 2007 minder rooskleurig tegemoet ziet (36 procent) significant hoger. Ook hier zijn de Vlamingen met 29 procent optimistischer dan de Walen (20 procent) en de Brusselaars (17 procent). Maar in vergelijking met het West-Europese gemiddelde (19 procent) doen zelfs de Walen het nog niet zo slecht. Toch verbleken we met zijn allen bij de Amerikanen. Die hebben, allicht onder druk van de leeglopende vastgoedbel, uitermate goede voornemens. Bijna één op de twee wil meer gaan sparen, nog eens een kwart zal evenveel opzijzetten als de voorbije maanden. Daar tegenover staat dat bijna één Amerikaan op de twee naar eigen zeggen absoluut niet spaart.

Een contradictie? Niet echt, denkt Hofman. Anders dan in Europa daalt het aantal gegoede Amerikanen naarmate ze ouder worden. Aanvankelijk groeit de bankrekening snel aan door het geringe verschil tussen bruto- en nettoloon en dankzij de bescheiden sociale bijdragen. Bovendien is een eigen woning voor Amerikanen niet echt een punt. Aanvankelijk toch, want met het ouder worden groeit ook het besef van de eigen kwetsbaarheid. Een hospitalisatie- en een ziekteverzekering zijn geen overbodige luxe, blijkt dan. Tegenover de lage sociale bijdragen staan beperkte sociale voorzieningen. Die verzekeringen zijn duur in de VS, zeker als je er pas op latere leeftijd aan begint.

Dat het absoluut aantal ,,rijkere'' Amerikanen toch dubbel zo hoog blijft als in Europa, heeft paradoxaal genoeg ook te maken met hun krediethonger. Als hij nog jong is, schrikt John met de pet er niet voor terug om te beleggen op krediet.